1 Zie het vonnis van de kantonrechter Amsterdam van 14 februari 2001 onder 1.1 t/m 1.7, van welke feiten de rechtbank ook is uitgegaan alsmede rov. 3. van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 november 2002.
2 In de procedure bij de kantonrechter heeft [eiseres] dienaangaande medische rapportages overgelegd van de gemeenschappelijke medische dienst van 24 november 1988 en 22 augustus 1990.
3 Conversie is een ernstig psychiatrisch ziektebeeld waarbij sterke aanwijzingen zijn voor lichamelijk lijden, dat echter niet aanwezig is dan wel niet gevonden kan worden; er moeten tevens duidelijke aanwijzingen zijn dat de symptomen te maken hebben met een verstoring van het psychisch evenwicht en er mag geen sprake zijn van simulatie, zie het deskundigenonderzoek van [betrokkene 1], p. 4 (overgelegd als productie 10 bij akte overlegging producties in eerste aanleg) alsmede de Beknopte handleiding bij de Diagnostische Criteria van de DSM-IV, Lisse 1995, p. 270-271.
4 De cassatiedagvaarding is op 26 februari 2003 uitgebracht.
5 Aangeduid met 'dupliek'.
6 Zie ook mijn conclusie vóór HR 5 januari 2001, NJ 2001, 80 (Punta Argentara).
7 Vgl. ook Snijders/Ynzonides/Meijer, derde druk, 2002, p. 69-70.
8 HR 13 november 1987, NJ 1988, 941 m.nt. WLH. Zie ook HR 8 februari 1980, NJ 1980, 316 m.nt. GJS en HR 5 januari 2001, NJ 2001, 80.
9 HR 10 mei 1996, NJ 1996, 670 m.nt. PAS.
10 Vgl. Haardt, Invloed van den overgang van iemands rechten en verplichtingen op zijn hoedanigheid van procespartij, NJB 1943, blz. 37 e.v. en 49 e.v. Zie ook A-G Asser die in zijn conclusie (onder 2.4) vóór HR 5 juni 1992, NJ 1993, 204 m.nt. HJS vermeldt dat de achterliggende gedachte van de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de mogelijkheid van procespartijwisseling bij overgang van vorderingen is dat in het proces uiteindelijk beslist dient te kunnen worden ten opzichte van de werkelijk belanghebbende partijen.
11 Het arrest bevat in de rov. 3.4.2 en 3.4.3 een oordeel over de indeplaatsstelling van de verkrijgende vennootschap.
12 In die richting wees reeds de noot van Scholten onder HR 8 februari 1980, NJ 1980, 316. Zie ook de gevallen berecht in HR 20 februari 1998, NJ 1998, 493 en HR 13 november 1998, NJ 1999, 173 (Postbank/Huijbregts: in eerste aanleg had de Postbank zich op het standpunt gesteld dat zij het inleidend verzoekschrift zou lezen alsof zij daarin als gerekwestreerde was vermeld. In hoger beroep voerde zij vervolgens het verweer dat Huijbregts niet ontvankelijk in zijn vorderingen was). Vgl. in een met het onderhavige geval vergelijkbare situatie in een Antilliaanse zaak recentelijk HR 13 september 2002, NJ 2003, 226, rov. 3.4: "rekening houdende met de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij(en)".
13 Zie HR 7 juni 1991, NJ 1992, 392; HR 25 september 1992, NJ 1992, 767 en HR 11 september 1996, NJ 1997, 177 m.nt. Ma.
14 Zie ook de noot van Heemskerk onder HR 8 januari 1982, NJ 1983, 777 onder 8 en 9 en de conclusie van A-G Strikwerda vóór HR 7 juni 1991, NJ 1992, 392.
15 Zie HR 5 juni 1953, NJ 1953, 628; HR 5 februari 1971, NJ 1971, 209, herhaald in HR 6 december 2002, NJ 2004, 162 m.nt. HJS.
16 In de s.t. van Euronext/AEX wordt onder nr. 5 slechts aangevoerd dat [eiseres] op de hoogte had kunnen zijn.
17 Onder 2.11, voetnoot 12.
18 Zie hiervoor onder 1.9 en 1.10.
19 Inmiddels vernam ik met instemming wat A.S. Rueb over de onderzoeksplicht schrijft in zijn noot onder het hiervoor reeds genoemde arrest HR 9 januari 2004, JBPR 2004, 21 onder 3.
20 S.t. onder 3.8.1.
21 Ik citeer hierbij uit mijn conclusie vóór HR 26 januari 2001, NJ 2001, 597 m.nt. DA onder 596. Zie ook de conclusie van A-G De Vries Lentsch-Kostense vóór HR 17 november 2000, NJ 2001, 596 met verdere verwijzingen naar literatuur en jurisprudentie.
22 Volgens A. Hammerstein, Asbest en aansprakelijkheid: bewijsvragen, (in: Asbest en aansprakelijkheid onder red. van Van Dunné), p. 15 houdt dit in dat de werknemer zich beperkt tot de hoofdlijnen welke zijn: de ziekte die bij de werknemer is opgetreden en de omstandigheden waaronder hij moest werken en de aannemelijkheid van het verband daartussen.
23 Zie ook HR 5 juni 1998, NJ 1998, 817.
24 HR 25 juni 1993, NJ 1993, 686 m.nt. PAS en het vervolg hierop HR 2 oktober 1998, NJ 1999, 683 m.nt. JBMV.
25 HR 9 juni 1995, NJ 1995, 630.
26 Kamerstukken II, vergaderjaar 1994-1995, 23 438, nr. 5, blz. 9.
27 Met name HR 6 april 1990, NJ 1990, 573 en HR 25 juni 1993, NJ 1993, 686.
28 Asser verwijst in zijn noot onder 8 naar de verwante regel omtrent de verzwaarde stelplicht in de gevallen waarin de bewijslastverdeling niet wordt omgekeerd maar van de wederpartij wordt verlangd dat zij voldoende feitelijke gegevens verstrekt teneinde voldoende aanknopingspunten te verschaffen aan de partij voor eventuele bewijslevering.
29 Zie ook R.J.B. Boonekamp in zijn kroniek Bewijsrecht, TCR 2000, afl. 2, p. 43-45, waar hij aan de hand van HR 10 december 1999, NJ 2000, 211 m.nt. PAS tot de volgende conclusie komt: "Hoewel de Hoge Raad niets over de stelplicht zegt, moet worden aangenomen dat ook die op de werkgever rust, want die gaat nu eenmaal vooraf aan de bewijslast en er valt niets te bewijzen indien er niet voldoende is gesteld." (p. 43, rechter kolom).
30 Zie ook A-G De Vries Lentsch-Kostense in haar conclusie vóór HR 17 november 2000, NJ 2001, 596 onder 12 en 13 en de daar genoemde literatuur. Zie voorts S.D. Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten, Studiepockets Privaatrecht nr. 62, 2000, blz. 52; C.J.M. Klaassen, Een nieuw arbeidsongevallenrecht?, Sociaal Recht 1997, nr. 10, p. 283; T. Hartlief en R.J.P.L. Tjittes, Kroniek van het vermogensrecht, NJB 1997, blz. 417; P.S. Fluit, De verruiming van de werkgeversaansprakelijkheid voor bedrijfsongevallen en beroepsziekten, Sociaal Recht 2000, blz. 45 en 283.
31 Zie haar inleidende dagvaarding onder 16, 17 en 20 en de conclusie van repliek onder 5, 8 en 12.
32 Zie bijv. HR 8 juli 1992, NJ 1992, 713.
33 In de s.t. van AEX wordt onder 10 m.i. ten onrechte opgemerkt dat hier sprake is van een bewijsoordeel.
34 HR 9 april 2004, RvdW 2004, 60, rov. 3.5.2. en HR 29 november 2002, RvdW 2002, 190. Zie voor verdere verwijzingen de conclusies vóór deze arresten.
35 Vgl. HR 29 november 2002, RvdW 2002, 191, rov. 3.7: "Uit hetgeen hiervóór in 3.6 is overwogen volgt dat in het onderhavige geval voor toepassing van de omkeringsregel geen plaats is. De onrechtmatige daad van de Gemeente bestaat hierin dat de Gemeente ten onrechte aan Kastelijn een vergunning heeft geweigerd. Daarmee is alleen gegeven de mogelijkheid dat Kastelijn als gevolg van die weigering schade heeft geleden. Kennelijk en niet onbegrijpelijk is het Hof bij zijn in rov. 9 gegeven oordeel omtrent de bewijslastverdeling (...) ervan uitgegaan dat, mede gelet op de aard van de schade, causaal verband tussen die weigering en het niet doorgaan van de bouw van een nieuwe zeugenstal en de verbouw van de bestaande stal en de daaruit voortvloeiende schade niet zonder meer voor de hand lag en dat Kastelijn gelet op het door de Gemeente gevoerde verweer niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem gestelde schade wel het gevolg was van de onrechtmatige weigering van de vergunning. (...) "
36 MvG, p. 6. Zie ook de voorlaatste alinea van rov. 6 van het bestreden vonnis.