ECLI:NL:PHR:2004:AO9078
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing Europees verdrag wederzijdse rechtshulp in strafzaken op herhaald rechtshulpverzoek
In deze zaak gaat het om de vraag of een rechtshulpverzoek van de Russische Federatie, ingediend vóór de inwerkingtreding van het Europees verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (EVR), na ratificatie van dat verdrag door de Russische Federatie, alsnog op dat verdrag kan worden gegrond voor uitvoering in Nederland.
De Rechtbank had het verzoek afgewezen omdat het oorspronkelijke verzoek niet op een verdrag was gebaseerd en de doorzoekingen daarom niet hadden mogen plaatsvinden. De officier van justitie stelde cassatie in en voerde aan dat het herhaalde verzoek na ratificatie van het EVR wel als verdragelijk moest worden beschouwd.
De Hoge Raad oordeelt dat het EVR geen terugwerkende kracht heeft en dat rechtshulpverzoeken moeten worden beoordeeld naar het recht op het moment van indiening. Echter, indien nog geen dwangmiddelen zijn toegepast, kan een verzoek worden gehandhaafd en uitgevoerd op basis van het verdrag nadat dit in werking is getreden voor de verzoekende staat.
De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking en verleent het gevraagde verlof tot terbeschikkingstelling van de inbeslaggenomen stukken aan de officier van justitie. Tevens wordt overwogen dat er geen sprake is van verjaring die uitlevering in de weg staat.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking en verleent verlof tot terbeschikkingstelling van inbeslaggenomen stukken aan de officier van justitie.