ECLI:NL:PHR:2004:AO9125

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02796/03 B
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 225 SrArt. 231 SrArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortdurend beslag op voorwerpen na intrekking uitleveringsverzoek rechtmatig volgens art. 94 Sv

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de Rechtbank Amsterdam waarin werd beslist over de teruggave van onder beslag genomen voorwerpen. Deze voorwerpen waren in beslag genomen naar aanleiding van een uitleverings- en rechtshulpverzoek van Duitse justitiële autoriteiten. Nadat het uitleveringsverzoek werd ingetrokken, bleef het beslag gehandhaafd omdat er een verdenking bestond dat verzoeker zich schuldig had gemaakt aan overtreding van strafrechtelijke bepalingen (art. 225 en Pro/of 231 Sr).

De rechtbank oordeelde dat het strafvorderlijk belang zich verzette tegen opheffing van het beslag op schriftelijke stukken en administratie, ondanks de intrekking van het uitleveringsverzoek. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het gesloten systeem van de Uitleveringswet niet verhindert dat beslag, oorspronkelijk gelegd op grond van een uitleveringsverzoek, na intrekking daarvan kan worden omgezet in een beslag krachtens art. 94 Sv Pro indien er een verdenking is van strafbare feiten die in Nederland vervolgd kunnen worden.

De Hoge Raad benadrukt dat er geen rechtsregel bestaat die dit verbiedt en dat het oordeel van de rechtbank dat er voldoende verdenking is gerezen en dat de voorwerpen vatbaar zijn voor beslag op grond van art. 94 Sv Pro niet onbegrijpelijk is. Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het middel geen doel treft en geschikt is voor toepassing van art. 81 RO Pro.

Uitkomst: Het beslag op voorwerpen kan na intrekking van het uitleveringsverzoek rechtmatig worden voortgezet op grond van art. 94 Sv.

Conclusie

Griffienr. 02796/03 B
Mr. Wortel
Zitting:4 mei 2004
Conclusie inzake:
[verzoeker=klager]
1. Het cassatieberoep is gericht tegen een beschikking en een tussenbeschikking van de Rechtbank te Amsterdam, waarin is beslist op een klaagschrift strekkende tot teruggave aan verzoeker van onder hem inbeslaggenomen voorwerpen. De Rechtbank heeft verzoeker in zijn beklag niet-ontvankelijk verklaard voor zover het betrekking heeft op een geldbedrag, aangezien van inbeslagneming daarvan niet is gebleken, en het beklag voor het overige ongegrond verklaard.
2. Namens verzoeker heeft mr. L.J.G. Voorn, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatiemiddelen ingediend.
3. De Rechtbank heeft vastgesteld en overwogen, voor zover thans van belang::
"Uit de stukken is het volgende gebleken.
Op 18 december 2002 zijn onder klager voornoemde goederen in beslag genomen naar aanleiding van een rechtshulpverzoek en een verzoek tot uitlevering van klager van de Duitse justitiële autoriteiten.
Op 28 juli 2003 is het uitleveringsverzoek door de Duitse autoriteiten ingetrokken en op 29 juli 2003 is klager door de officier van justitie in vrijheid gesteld.
De raadsman van klager heeft in openbare raadkamer zijn klaagschrift toegelicht.
De officier van justitie heeft aan de rechtbank overgelegd een proces-verbaal nummer 0257-013/2, d.d. 3 oktober 2003, waaruit blijkt dat het Nederlandse paspoort ten name van [betrokkene 1], het Engelse paspoort ten name van [betrokkene 2] en het Portugese paspoort ten name van [betrokkene 3], vervalst zijn.
De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van de thans nog onder beslag liggende schriftelijke stukken en administratie.
Daartoe heeft zij aangevoerd dat nog onderzoek gaande is naar de verdenking dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 225 en Pro/of artikel 231 van Pro het Wetboek van Strafrecht en dat klager één dezer dagen op die verdenking zal worden gehoord.
De rechtbank overweegt het volgende.
De rechtbank heeft in haar tussenbeschikking van 26 augustus 2003 overwogen dat klager niet ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van het geldbedrag van € 3.600,-, nu niet gebleken is dat dit bedrag in beslag is genomen.
Voorts blijkt uit die tussenbeschikking dat verschillende goederen reeds aan klager, c.q. rechthebbende(n) zijn teruggegeven.
De rechtbank is van oordeel -gelet op de inhoud van het door de officier van justitie overgelegde proces-verbaal nummer 0257-013/02- dat er gronden zijn voor de verdenking dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 225 en Pro/of artikel 231 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Gelet op het bovenstaande, is de rechtbank van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag met betrekking tot de thans nog onder beslag liggende schriftelijke stukken en administratie. Voor zover dit nadeel oplevert voor klager voor het doen van belastingaangifte kan klager aan de officier van justitie verzoeken om kopieën van die stukken."
4. De cassatieklacht houdt in essentie in dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het handhaven (of omzetten) van het, aanvankelijk op verzoek van de Duitse autoriteiten gelegde, beslag als (of in) een beslag krachtens art. 94 Sv Pro rechtmatig is geweest. Dat zou in strijd zijn met "het gesloten systeem van de Uitleveringswet en/of het Uitleveringsrecht". Nu het verzoek tot uitlevering van verzoeker is ingetrokken (omdat de Duitse autoriteiten hebben vastgesteld dat verzoeker niet de gezochte persoon is) zou het ter uitvoering van dat verzoek gelegde beslag op voorwerpen nietig zijn, en een nietig beslag kan - zo wordt betoogd - niet rechtmatig worden door te verwijzen naar een andere rechtsgrond.
5. Dit betoog lijkt mij geen doel te kunnen treffen. Ik kan geen rechtsregel aanwijzen die zich er tegen verzet dat ter uitvoering van een uitleverings- of rechtshulpverzoek inbeslaggenomen voorwerpen, na intrekking van dat verzoek, op grond van art. 94 Sv Pro in beslag worden genomen of onder beslag worden gehouden in die gevallen waarin de met opsporing belaste autoriteiten over de verdenking beschikken dat strafbare feiten zijn begaan die hier te lande vervolgd en berecht kunnen worden, en voorts kunnen vaststellen dat de aanvankelijk ter uitvoering van het uitleverings- of rechtshulpverzoek inbeslaggenomen voorwerpen hetzij kunnen dienen tot bewijs van bedoelde feiten of geschikt zijn om wederrechtelijk voordeel aan te tonen, hetzij vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer.
6. Het oordeel van de Rechtbank dat een zodanige verdenking van hier te lande vervolgbare feiten is gerezen, en dat de onder verzoeker in beslag genomen reisdocumenten en bescheiden in verband met die verdenking krachtens art. 94 Sv Pro voor inbeslagneming vatbaar zijn is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.
7. Naar mijn inzicht is het middel vruchteloos voorgesteld, terwijl het zich voor toepassing van art. 81 RO Pro leent.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,