ECLI:NL:PHR:2004:AO9133

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00614/04 U
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Kaderbesluit Raad van de Europese UnieArt. 59 Weens VerdragenverdragArt. 74 OverleveringswetArt. 32 Kaderbesluit Raad van de Europese UnieArt. 34 Verdrag betreffende de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geldigheid uitlevering onder oude uitleveringswet ondanks EU-kaderbesluit

De zaak betreft een cassatieberoep tegen de beslissing van de Rechtbank Rotterdam die de uitlevering van een persoon aan België toestond ter zake van moord. De verdediging voerde aan dat de uitlevering niet mocht plaatsvinden omdat de Nederlandse Uitleveringswet per 1 januari 2004 was komen te vervallen door het EU-Kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, dat echter nog niet was geïmplementeerd in Nederlandse wetgeving.

De Hoge Raad overweegt dat het Kaderbesluit geen rechtstreekse werking heeft en dat de oude uitleveringsverdragen en de Uitleveringswet nog steeds van toepassing zijn zolang de implementatiewetgeving ontbreekt. De overgangsregeling in de voorgestelde Overleveringswet bevestigt dat uitleveringsverzoeken die vóór 12 mei 2004 zijn ontvangen onder de oude regeling vallen.

De Hoge Raad verwerpt het cassatiemiddel en bevestigt dat de uitlevering op basis van het Beneluxverdrag en de Uitleveringswet rechtmatig is. De uitspraak benadrukt het belang van implementatie van EU-kaderbesluiten in nationale wetgeving en bevestigt dat het ontbreken daarvan niet leidt tot verval van bestaande uitleveringsverdragen en wetten.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de uitlevering op basis van de Uitleveringswet rechtmatig is.

Conclusie

Nr. 00614/04 U
mr. N. Keijzer
zitting 4 mei 2004
conclusie inzake
[de opgeëiste persoon]
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij uitspraak van 18 februari 2004 heeft de Rechtbank te Rotterdam de door België ter strafvervolging ter zake van kort gezegd moord verzochte uitlevering van [de opgeëiste persoon] toelaatbaar verklaard.
2. Tegen deze uitspraak heeft [de opgeëiste persoon] cassatieberoep ingesteld. Namens hem heeft mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht, een middel tot cassatie voorgesteld.
3. Het middel houdt in dat de Rechtbank haar beslissing heeft gebaseerd op het Beneluxverdrag aangaande de uitlevering en rechtshulp in strafzaken (Trb. 1962, 97), de Uitvoeringsovereenkomst van Schengen (Trb. 1990, 145), de Overeenkomst betreffende de uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (Dublin, 27 september 1996, Trb. 1996, 304) en de Uitleveringswet, hoewel die grondslag voor uitlevering volgens de steller van het middel op grond van art. 31 van Pro het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten per 1 januari 2004 is vervallen, zodat de Rechtbank het dienaangaande gevoerde verweer ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
In het middel kunnen twee klachten worden onderscheiden, één met betrekking tot de aldaar genoemde internationale instrumenten en één met betrekking tot de Uitleveringswet.
4. Met betrekking tot de klacht inzake de genoemde internationale instrumenten zij het volgende opgemerkt.
5. Art. 31, eerste lid, van het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten(1) (hierna: het Kaderbesluit) houdt kort gezegd in dat in de betrekkingen tussen de lidstaten van de Europese Unie de bepalingen van het Kaderbesluit per 1 januari 2004 in de plaats komen van de overeenkomstige bepalingen van, voorzover in deze zaak van belang: de Overeenkomst van Dublin van 27 september 1996, en Titel III, hoofdstuk 4 van de Uitvoeringsovereenkomst van Schengen.
6. Het Beneluxverdrag aangaande de uitlevering en rechtshulp in strafzaken wordt in art. 31, eerste lid, Kaderbesluit niet genoemd. Echter, in het licht van art. 59, eerste lid, Weens Verdragenverdrag(2) moet worden aangenomen dat ook voor de op uitlevering betrekking hebbende onderdelen van het Beneluxverdrag aangaande de uitlevering en rechtshulp in strafzaken de bepalingen van het Kaderbesluit (na implementatie) in de plaats zullen treden. Weliswaar is het Kaderbesluit geen verdrag in de zin van art. 91 Gr Pro.w, het is wel een regeling met een voor de lidstaten bindend supranationaal karakter,(3) zodat het mijns inziens kan worden beschouwd als later treaty in de zin van art. 59, eerste lid, Weens Verdragenverdrag.
Tot dezelfde conclusie is de regering gekomen, blijkens haar mededeling:(4)
"Uit overleg met de Ministeries van Justitie van de andere Benelux-landen is inmiddels gebleken dat ook zij van oordeel zijn dat het hoofdstuk uitlevering van het Beneluxuitleverings- en rechtshulpverdrag buiten toepassing kan blijven."
7. Het voorgaande brengt echter niet mee dat in de relatie met de lidstaten van de Europese Unie de in het middel genoemde internatonale instrumenten sedert 1 januari 2004 niet meer gelden en voor de betrekkingen met Nederland daarvoor op die datum het Kaderbesluit in de plaats is getreden. Kaderbesluiten hebben immers geen rechtstreekse werking.(5) Zolang Nederland geen implementatiewetgeving tot stand heeft gebracht treedt voor Nederland die indeplaatstreding niet in.
Weliswaar is op 12 september 2003 wetsvoorstel 29042 ingediend ter implementatie van het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (Overleveringswet),(6) maar de voorgestelde Overleveringswet heeft het Staatsblad nog niet bereikt.(7)
De Nota naar aanleiding van het verslag met betrekking tot het evengenoemde wetsvoorstel houdt dan ook onder meer in dat het ervoor wordt gehouden:(8)
"dat in het geval het wetsvoorstel onverhoopt niet tot wet is verheven op 1 januari 2004 en in werking is getreden, de bestaande uitleveringspraktijk wordt voortgezet totdat zulks wel het geval is. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat een kaderbesluit geen rechtstreekse werking heeft. Een verdachte kan daarom niet met een beroep op een bepaling uit het kaderbesluit de rechter verzoeken een daarvan afwijkende bepaling van nationaal recht buiten toepassing te laten."
8. Blijkens de toelichting op het middel neemt de steller daarvan het standpunt in dat, binnen het verband van de Europese Unie, enerzijds de desbetreffende verdragen met betrekking tot uitlevering als gevolg van het Kaderbesluit zijn vervallen maar anderzijds de in het Kaderbesluit vervatte regeling met betrekking tot het Europees arrestatiebevel voor Nederland bij gebreke van implementatie nog niet in werking is getreden. Daarmee wordt echter miskend dat voor dat doen vervallen van die verdragen de implementatie van het Kaderbesluit is vereist. (Daartoe strekt art. 74, eerste lid, van het gewijzigd voorstel van wet (Overleveringswet)(9)).
9. In de toelichting op het middel wordt een beroep gedaan op een Presidential Note van 5 januari 2004 aan de Working Party on Cooperation in criminal matters (Experts on the European arrest warrant) met betrekking tot de transitional period until each Member State has fully implemented the Framework Decision.(10) (Deze nota betreft het vraagstuk of, indien een betrokken lidstaat het Kaderbesluit nog niet heeft geïmplementeerd, uitlevering nog steeds kan plaatsvinden op grond van de uitleveringsverdragen die volgens art. 31, eerste lid, Kaderbesluit per 1 januari 2004 worden vervangen door de regeling met betrekking tot het Europese arrestatiebevel. In deze nota wordt ervan uitgegaan dat een aangezochte staat die het Kaderbesluit nog niet heeft geïmplementeerd een ontvangen Europees arrestatiebevel zal behandelen als ware het een uitleveringsverzoek.)
Deze nota is echter slechts een werkdocument en bindt de lidstaten niet. De situatie als evenbedoeld doet zich in casu trouwens niet voor, aangezien ten aanzien van [de opgeëiste persoon] geen Europees arrestatiebevel is ontvangen maar België zijn uitlevering heeft verzocht op grond van het Beneluxverdrag aangaande uitlevering en rechtshulp in strafzaken cum annexis.
10. De in het middel betrokken stelling dat in het onderhavige verband de aldaar genoemde internationale instrumenten op 1 januari 2004 zijn vervallen is derhalve ongegrond.
11. Met betrekking tot de klacht dat de Rechtbank ten onrechte de Uitleveringswet heeft toegepast diene het volgende.
12. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank van 4 februari 2004 heeft de Raadsman aldaar onder meer het verweer gevoerd dat in de bestreden uitspraak als volgt is weergegeven en verworpen:
"De raadsman heeft aangevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar is, nu de vordering van de officier van justitie is gebaseerd op de Uitleveringswet, die niet meer van kracht zou zijn, nu de Nederlandse wetgever (nog) niet heeft voldaan aan de vereisten, die voortvloeien uit het Kaderbesluit van 13 juni 2002 (Publicatieblad L 190/1), terwijl dit uiterlijk per 1 januari 2004 had moeten gebeuren.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Het is inderdaad zo dat genoemd Kaderbesluit noopt tot aanpassing van de Nederlandse wetgeving ter zake. Zulks zal plaatsvinden door de op handen zijnde inwerkingtreding van de Overdrachtswet.(11) Niettegenstaande het feit dat deze inwerkingtreding later zal plaatsvinden dan de in het Kaderbesluit genoemde uiterlijke termijn, is de Uitleveringswet nog immer van kracht. Er is dan ook een wettelijke grondslag voor de gevorderde uitlevering."
13. Deze overweging geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting, en de Rechtbank heeft daarmee de verwerping van het verweer genoegzaam gemotiveerd.
14. De in het middel vervatte stelling dat ingevolge het Kaderbesluit de Uitleveringswet is komen te vervallen vindt geen steun in het recht, in het bijzonder niet in het in de toelichting op het middel ingeroepen art. 31 van Pro het - door Nederland trouwens nog niet geïmplementeerde - Kaderbesluit, waarin nationale wetten zoals de Uitleveringswet niet worden genoemd.
15. Weliswaar houdt art. 74, eerste lid, van het gewijzigd voorstel van wet (Overleveringswet)(12) onder meer in dat in de relatie met de lidstaten van de Europese Unie de Overleveringswet in de plaats treedt van, onder meer, de Uitleveringswet (met uitzondering van de niet op uitlevering betrekking hebbende artikelen 50a en 51 daarvan), maar de bedoelde Overleveringswet is nog niet in werking getreden.
16. Geen van de in het middel vervatte klachten treft dus doel. Het middel is derhalve vruchteloos voorgesteld.
17. Mocht nog voordat Uw Raad in deze zaak uitspraak doet de Overleveringswet in werking treden, dan zal dat, naar zich thans laat aanzien, voor die uitspraak geen consequenties hebben, gelet op het navolgende.
18. Art. 32 Kaderbesluit Pro luidt:
"Vóór 1 januari 2004 ontvangen uitleveringsverzoeken worden verder beheerst door de bestaande instrumenten betreffende uitlevering. Na 1 januari 2004 ontvangen verzoeken vallen onder de bepalingen die de lidstaten in overeenstemming met dit kaderbesluit aannemen. Elke lidstaat kan evenwel op het tijdstip van aanneming van dit kaderbesluit door de Raad verklaren dat hij als uitvoerende staat verzoeken betreffende feiten die zijn gepleegd voor een door hem bepaalde datum zal behandelen overeenkomstig de vóór 1 januari 2004 geldende uitleveringsregeling. De bedoelde datum mag niet later vallen dan 7 augustus 2002. De verklaring wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Zij kan te allen tijde worden ingetrokken."
19. Art. 74, vierde lid, van het gewijzigd wetsvoorstel (Overleveringswet) houdt in dat op de behandeling van verzoeken tot uitlevering en op de in verband daarmee te nemen beslissingen de Uitleveringswet van toepassing blijft in gevallen waarin de stukken betreffende dat verzoek vóór het tijdstip van het in werking treden van de Overleveringswet zijn ontvangen door de Minister van Justitie. Dit moet kennelijk aldus worden opgevat dat in die gevallen onder meer ook art. 74, eerste lid, buiten toepassing blijft, zodat het uitleveringsverzoek dan op de voet van daar genoemde internationale instrumenten kan worden afgedaan.
20. De Belgische autoriteiten hebben het onderhavige uitleveringsverzoek gedaan bij brief van 13 augustus 2003 aan het Nederlandse Ministerie van Justitie. Blijkens een daarop geplaatst stempel is deze brief aldaar ontvangen op 14 augustus 2003.
Dat brengt mee dat dit uitleveringsverzoek zal vallen onder de naar aanleiding van de eerste volzin van art. 32 Kaderbesluit Pro in art. 74, vierde lid, van de voorgestelde Overleveringswet vervatte overgangsregeling.
21. Ambtshalve heb ik geen reden aangetroffen waarom de bestreden uitspraak niet in stand zou mogen blijven. Het middel ongegrond achtende concludeer ik daarom tot verwerping van het beroep.
Voor de Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Waarnemend Advocaat-Generaal
1 Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen L 190/1 van 18 juli 2002.
2 Art. 59, eerste lid, Weens Verdragenverdrag (Trb. 1972, 51) luidt:
"A treaty shall be considered as terminated if all the parties to it conclude a later treaty relating to the same subject-matter and:
(a) it appears from the later treaty or is otherwise established that the parties intended that the matter should be governed by that treaty; or
(b) the provisions of the later treaty are so far incompatible with those of the earlier one that the two treaties are not capable of being applied at the same time."
3 Vgl. Advies van de Raad van State van 19 oktober 2001, vermeld in Kamerstukken II, 2002-2003, 29042, nr. 3, blz. 5.
4 Memorie van Toelichting bij wetsvoorstel van 12 september 2003 ter implementatie van het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (Overleveringswet), Kamerstukken II, 2002-2003, 29042, nr. 3, blz. 35.
5 Art. 34, tweede lid onder b, Verdrag betreffende de Europese Unie (Trb. 1998, 12). Zie daaromtrent Pradel & Corstens, Droit pénal européen, Parijs, 2e, 2002, § 401 (jo. 408).
6 Kamerstukken II, 2002-2003, 29042, nr. 2.
7 Wel is de inwerkingtreding binnenkort verwachtbaar, aangezien de Eerste Kamer der Staten-Generaal het (gewijzigde) wetsvoorstel op 27 april 2004 heeft aangenomen.
8 Kamerstukken II, 2003-2004, 29042, nr. 12, blz. 4.
9 Kamerstukken I, 2003-2004, 29042, A.
10 COPEN 2, 5028/04.
11 Kennelijk is bedoeld: Overleveringswet.
12 Kamerstukken I, 2003-2004, 29042, A.