1 Zie het vonnis van de rechtbank Haarlem van 22 augustus 2000 onder 2a t/m 2f, van welke feiten het hof ook is uitgegaan (rov. 3 van zijn arrest van 19 september 2002).
2 In rov. 5.26-5.27 en 5.32 heeft de rechtbank de door de vrouw gevorderde gebruiksvergoeding afgewezen.
3 De cassatiedagvaarding is op 18 december 2002 uitgebracht.
4 Het oordeel van de rechtbank en het hof ten aanzien van de door de vrouw gevorderde gebruiksvergoeding staat in cassatie niet ter discussie. Het gaat in cassatie uitsluitend om de verdeling, eventuele vergoedingsrechten daaronder begrepen.
5 Conclusie A-G Strikwerda vóór HR 27 februari 2004, C02/311HR, ongepubliceerd (LJN-nr.: AN9689)
6 HR 30 januari 1991, NJ 1992, 191 m.nt. EAAL; HR 15 september 1995, NJ 1996, 616 m.nt. WMK; HR 28 maart 1997, NJ 1997, 581 m.nt. WMK.
7 Zie over de natuurlijke verbintenis in het algemeen Asser-Hartkamp I, 11de druk (2000), nr. 57-87, in het bijzonder nr. 71-75. Zie voorts J. van Duyvendijk-Brand, Afrekenen bij (echt)scheiding, proefschrift 1990, p. 12 e.v.; Van Mourik/Verstappen, Handboek voor het Nederlands vermogensrecht bij echtscheiding, derde druk (1997), p. 106-107 .
8 O.m. HR 15 januari 1971, NJ 1971, 187 (de stelling dat een natuurlijke verbintenis tot toekenning van een pensioen alleen mag worden aangenomen voor zover de werknemer behoefte heeft aan een uitkering tot levensonderhoud, vindt geen steun in het recht) en HR 9 november 1990, NJ 1992, 212 m.nt. WMK (of iemand jegens een ander een natuurlijke verbintenis heeft dient te worden beoordeeld naar maatschappelijke opvattingen; daarin ligt besloten dat bij beantwoording van deze vraag een objectieve maatstaf moet worden aangelegd).
9 De arresten Premiewoning en Le Miralda zijn door C.A. Kraan besproken in het Echtscheidingsbulletin: Natuurlijke verbintenis tot huisvesting, EB 1999, nr. 1, p. 3-6.
10 Zie o.m. het reeds genoemde arrest Premiewoning en HR 14 december 2001, C00/070HR (jol 2001, 753).
11 In eerste aanleg en in hoger beroep was tussen partijen daarnaast nog in geschil: het op de te verdelen gemeenschap in mindering brengen van de schuld waarvoor de tweede hypotheek op de onroerende zaak is verstrekt; verrekening van een bedrag van ƒ 20.995 voor aflossingen op de eerste hypothecaire schuld en verrekening van ƒ 17.797,30 aan extra verkoopkosten (zie voor de vaststelling van de tussen partijen bestaande geschilpunten rov. 5.5 van het vonnis van de rechtbank van 22 augustus 2000; zie voorts de cassatiedagvaarding onder 1.4 en 2.15).
12 Voorzover het middel er over klaagt dat onbegrijpelijk is hoe het hof heeft kunnen oordelen dat de man aan deze natuurlijke verbintenissen heeft voldaan, behoeft het geen bespreking nu deze klacht niet verder wordt uitgewerkt.
13 Zie voorts recent HR 27 februari 2004, C02/311, niet gepubliceerd (LJN-nr.: AN9689).
14 Zie o.m. HR 9 juni 1972, NJ 1972, 379; HR 23 oktober 1998, NJ 1999, 114. Verg. voorts HR 23 oktober 1998, NJ 1999, 114; HR 6 oktober 2000, NJ 2001, 186 en HR 6 oktober 2000, NJ 2000, 691; HR 30 januari 2004, RvdW 2004, 28.
15 Zie o.m. HR 9 april 1954, NJ 1954, 268; HR 5 maart 2004, C02/188HR (jol 2004, 120).
16 Zie bv. CvA onder 4, de cassatiedagvaarding onder 2.13 en de s.t. namens de vrouw onder 14. Overigens heeft de rechtbank in zijn opdracht aan de deskundige, zoals geformuleerd in het vonnis van 3 juli 2001, voor de door de man en de vrouw te verrekenen bouwkosten de periode van 25 april 1980 tot 1 juli 1999 willen bezien. De rechtbank ging echter niet uit van de voldoening aan een natuurlijke verbintenis, maar had vastgesteld dat de uitgaven van elk der partijen voor de bouw moesten worden aangemerkt als een schuld die voor rekening van de gemeenschap komt (rov. 5.16 vonnis 22 augustus 2000).
17 In de MvA in het incidenteel appel onder 7 verwijst de man voor zijn betwisting van het bestaan van een natuurlijke verbintenis naar hetgeen hij in de CvD in eerste aanleg onder 6-13 heeft gesteld. Aldaar wordt betwist dat de man jegens de vrouw heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis met betrekking tot de koopsom van de grond, de gemaakte kosten voor de bouw van de woning en de arbeidsinspanning. De man bespreekt de drie onderdelen gezamenlijk en gaat niet in op de mogelijkheid dat voor het een wel een natuurlijke verbintenis moet worden aangenomen, maar voor het andere niet.
18 In de cassatiedagvaarding wordt verwezen naar onderdeel 16 e.v. van de MvA in het incidenteel appel, maar aldaar wordt niet ingegaan op de vraag of al dan niet is voldaan aan een natuurlijke verbintenis.
19 MvA, tevens incidenteel appel, onder 15. Zie ik het goed dan wordt daar ook in de s.t. van de man naar verwezen in voetnoot 20.