ECLI:NL:PHR:2004:AO9560

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02030/03
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51f SvArt. 421 SvArt. 51b Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens schending hoor en wederhoor bij vordering benadeelde partij

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam verdachte veroordeeld voor diefstal en tevens de vordering van de benadeelde partij toegewezen. De benadeelde partij had zich in hoger beroep gevoegd met een schadevordering van €543,63. De verdediging betwistte deze vordering, maar het hof wees deze toch toe.

De verdediging stelde in cassatie dat zij overvallen was door de beslissing over de vordering van de benadeelde partij omdat deze niet aan de orde was gesteld tijdens de terechtzitting en niet aan haar bekend was gemaakt. De Hoge Raad oordeelt dat het hof de verdediging niet de mogelijkheid heeft geboden zich over deze vordering uit te laten, wat een schending is van het recht op hoor en wederhoor zoals neergelegd in artikel 51f Sv.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor zover het de beslissing op de vordering van de benadeelde partij betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling. Het bewezenverklaarde delict staat niet ter discussie, het hof moet nu alleen beoordelen of en in welke mate de benadeelde partij schade heeft geleden.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd wegens schending van het recht op hoor en wederhoor en de zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling van de vordering van de benadeelde partij.

Conclusie

Nr. 02030/03
Mr. Machielse
Zitting 11 mei 2004
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 18 april 2003 wegens diefstal door twee of meer verenigde personen veroordeeld tot een geldboete van € 300,-, subsidiair zes dagen hechtenis, en de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 543,63.
2. Mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, heeft namens de verdachte cassatie ingesteld. Mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.
3.1 Het middel bevat de klacht dat het hof de vordering van de benadeelde partij ten onrechte heeft toegewezen, nu uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet zou blijken van een dergelijke vordering.
3.2 Het hof heeft in zijn arrest het volgende overwogen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij:
"De benadeelde partij, [A], heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van € 543,63 (f 1.198,-) zoals door haar ook in eerste aanleg gevorderd.
De verdachte heeft deze vordering betwist, door te stellen dat zij zich niet schuldig acht aan het haar tenlastegelegde feit.
Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezengeachte strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden.
De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot een bedrag van € 543,63 worden toegewezen."
3.3 Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevindt zich een "Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces" d.d. 23 januari 2001, waarmee de benadeelde partij, [A] BV, zich conform art. 51b lid 1 Sv in eerste aanleg in het onderhavige strafproces heeft gevoegd. De benadeelde partij is door de rechtbank bij vonnis van 24 januari 2002 niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en heeft zich vervolgens, blijkens het zich eveneens bij de stukken bevindende "Voegingsformulier hoger beroep ex art. 421 lid 3 Sv Pro", daterend van 23 december 2002, in hoger beroep opnieuw gevoegd.
3.4 Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 4 april 2003 is de benadeelde partij niet aanwezig geweest. Nergens blijkt dat het ressortsparket de verdediging ervan op de hoogte heeft gesteld dat de benadeelde partij zich in hoger beroep weer had gevoegd.(1) Artikel 51f Sv, dat ingevolge art. 421 lid 3 Sv Pro in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, schrijft in zijn tweede lid voor dat de officier van justitie de verdachte zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeelt dat de benadeelde partij zich heeft gevoegd. De overweging in het arrest is niet aldus te lezen dat uitdrukkelijk op de vordering van de benadeelde partij is ingegaan tijdens het onderzoek ter terechtzitting. Ik versta de overweging aldus dat de verdachte het tenlastegelegde heeft ontkend en dat het hof daaruit afleidt dat verdachte ontkent iets aan de benadeelde schuldig te zijn. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting doet niet blijken dat de vordering van de benadeelde partij ter sprake is geweest. Aldus is geen recht gedaan aan art. 51f Sv. De ratio van deze bepaling wordt uit de doeken gedaan in de Memorie van toelichting:
"Een niet onbelangrijk nevengevolg van dit voorstel is dat het de verdachte de gelegenheid biedt zich beter op de vordering voor te bereiden. Artikel 51f, tweede lid, bepaalt dan ook dat als de benadeelde partij zich heeft gevoegd, de officier van justitie de verdachte zo spoedig mogelijk de inhoud van de vordering en de gronden waarop deze berust meedeelt. Volgens de huidige regeling wordt de verdachte dikwijls pas ter terechtzitting met de vordering van de beledigde partij geconfronteerd. Gelet op het voorstel de limitering van de vordering te schrappen en de benadeelde partij ook met een relatief hoge vordering toe te laten in het strafproces, is een tijdige kennisgeving van de vordering aan de verdachte voor zover mogelijk gewenst."(2)
Ik begrijp het cassatiemiddel aldus dat de verdediging zich in het arrest overvallen zag door een beslissing over de vordering van de benadeelde partij waarvan het bestaan aan haar onbekend was gebleven nu die vordering blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting daar niet aan de orde is gesteld noch anderszins aan haar bekend is gemaakt, en dat aldus tekort is gedaan aan haar uit art. 51f Sv voortvloeiende recht op informatie.
Ik acht het middel, mits aldus welwillend gelezen, gegrond.
3.4 Uit het voorgaande volgt dat voeging van de benadeelde partij in het strafproces wel rechtsgeldig is geschied maar dat het hof geen beslissing had mogen nemen over haar vordering zonder dat de verdediging de gelegenheid is geboden zich over deze vordering te beraden en zich daarover uit te laten.
4. Het voorenstaande leidt mij tot de conclusie dat het arrest dient te worden vernietigd voor zover het de beslissing betreft op de vordering van de benadeelde partij en dat de Hoge Raad de zaak zal terugwijzen naar het Amsterdamse hof dat nogmaals zal dienen te beslissen op de vordering van de benadeelde partij. Ik merk daarbij op dat in mijn opvatting het bestaan van het bewezenverklaarde delict als grondslag van de vordering niet meer ter discussie staat, maar dat het hof enkel zal hebben te onderzoeken of de benadeelde partij inderdaad schade heeft geleden door het delict en zoja, tot welk bedrag. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde met inachtneming van 's Hogen Raads te wijzen arrest opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Ik merk wel op dat de verdediging door inzage te nemen in het procesdossier in appel zich op de hoogte had kunnen stellen van de inhoud daarvan en aldus had kunnen constateren dat de vordering al maanden voor de appelzitting was ingediend.
2 Kamerstukken II 1989-1990, 21 345, nr. 3, p. 14.