AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling van voordeeltrekking en rechtstreekse schade bij verduistering en oplichting
In deze zaak is de verdachte door het gerechtshof veroordeeld wegens het trekken van voordeel uit de opbrengst van een misdrijf, namelijk het aannemen van een Ferrari waarvan redelijkerwijs moest worden vermoed dat deze was gekocht met misdrijfsgeld. De verdachte voerde aan dat het hof de grondslag van de tenlastelegging had verlaten door het misdrijf anders te duiden dan oplichting, maar de Hoge Raad verwierp dit verweer.
De benadeelde partij had een vordering tot schadevergoeding ingediend, maar het hof wees deze af omdat de benadeelde partij zelf het geld had verduisterd waaruit het goed was gekocht, waardoor zij geen rechtstreekse schade had geleden. De Hoge Raad bevestigde dat alleen degene die rechtstreeks schade lijdt door een strafbaar feit zich als benadeelde partij kan voegen, en dat in dit geval het belang van de rechtmatige eigenaar van het verduisterde geld wordt beschermd.
Verder werd geoordeeld dat het niet verlenen van spreektijd aan de raadsman van de benadeelde partij na het requisitoir niet tot cassatie leidt, omdat de vordering al vóór het requisitoir was toegelicht en er geen verzoek tot nadere toelichting of reactie was gedaan. Het beroep van de verdachte en de middelen van de benadeelde partij werden verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de vordering van de benadeelde partij afgewezen wegens het ontbreken van rechtstreekse schade.
Conclusie
Nr.02947/03
Mr. Jörg
Zitting 18 mei 2004
Conclusie inzake:
[verzoeker = verdachte]
1. Verzoeker is door het gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 9 april 2003 wegens vuurwapenbezit, meermalen gepleegd, en opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken, veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van tweehonderdveertig uren, in plaats van zes maanden gevangenisstraf. De vordering van de benadeelde partij is afgewezen.
2. Namens verzoeker hebben mr. H. Sytema en mr. P.J. Hoogendam, beiden advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
3. Namens de benadeelde partij heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, een schriftuur met twee middelen ingediend ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.
4. Het namens verzoeker ingediende middel klaagt erover dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.
5. Aan verzoeker is tenlastegelegd - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - oplichting van [benadeelde partij] (feit 1) en opzetheling subsidiair voordeeltrekking (feit 3). Het hof heeft van die feiten alleen de subsidiair tenlastegelegde voordeeltrekking (art. 416, tweede lid, Sr) bewezenverklaard.(1) De voordeeltrekking houdt in dat verzoeker voordeel heeft getrokken uit de opbrengst van (een) door misdrijf verkregen geldbedrag(en) door een auto (Ferrari) aan te nemen waarvan verzoeker redelijkerwijs moest vermoeden dat die auto was aangekocht uit (een gedeelte van) de opbrengst van dat misdrijf.
6. Het arrest bevat hieromtrent de volgende tekst:
"De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat de tenlastelegging terzake van feit 3 slechts het oog heeft op het profiteren door de verdachte van de oplichting van [benadeelde partij] en niet (tevens) op de verduistering in dienstbetrekking jegens een scholengemeenschap, terzake waarvan [benadeelde partij] is veroordeeld.
Het gerechtshof verwerpt dit verweer.
In de eerste plaats is in de tenlastelegging terzake van feit 3 niet aangegeven (en behoefde ook niet te worden aangegeven) uit de opbrengst van welk misdrijf het geld afkomstig was waarmee de Ferrari die de verdachte heeft aangenomen, is aangekocht. Voorts omvat het dossier alle stukken terzake van bedoelde verduistering, alsmede de bewijsmiddelen die betrekking hebben op de mogelijke wetenschap van de verdachte van die verduistering. Het stond de advocaat-generaal derhalve vrij om de tenlastelegging terzake van feit 3 in verband te brengen met meerbedoelde verduistering; de verdachte en diens raadsman dienden met deze mogelijkheid rekening te houden."
7. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat nu het hof 'door misdrijf verkregen' blijkbaar heeft opgevat als 'door verduistering door [benadeelde partij] verkregen', het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. Immers, de maker van de tenlastelegging had bij de woorden 'door misdrijf verkregen' de niet bewezenverklaarde oplichting voor ogen.
8. De rechter is bij het onderzoek ter terechtzitting gebonden aan de bewoordingen van de tenlastelegging. De rechter mag niet buiten de grenzen van de tenlastelegging gaan door iets meer of iets anders bewezen te verklaren dan is tenlastegelegd(2).
9. In casu is ten aanzien van feit 3 subsidiair niet meer, maar minder(3) bewezenverklaard dan tenlastegelegd. Tevens is mijns inziens niet iets anders bewezenverklaard dan tenlastegelegd. Het bewezenverklaarde voordeel trekken (aannemen van een Ferrari) uit de opbrengst van (een) door misdrijf verkregen geldbedrag(en) is woordelijk terug te voeren op de tenlastelegging. Het middel suggereert dat de opsteller van de tenlastelegging bij 'door misdrijf verkregen' wellicht het misdrijf oplichting voor ogen had, maar dat is vanwege de regel "een heler is geen steler" onwaarschijnlijk. Voor art. 416 SrPro geldt dat tenlastegelegd en bewezen moet worden dat het goed in kwestie door (andermans) misdrijf is verkregen. Het misdrijf hoeft niet nader te worden aangeduid of omschreven; volstaan kan worden met de vermelding van het feit dat het goed door misdrijf is verkregen (zie Van Woensel, T&C Sr, 4e, aant. 12b op art. 416). Bij art. 416 SrPro moet het gaan om een misdrijf dat door een ander dan de heler is gepleegd. Dit geldt ook bij het voordeel trekken uit de opbrengst van een misdrijf van (zie HR 19 maart 2002, LJN: AD8801). Aan deze voorwaarde is tevens voldaan aangezien de verduistering waaruit verzoeker voordeel heeft getrokken door een ander dan verzoeker (nl. [benadeelde partij]) is gepleegd.
10. Het middel faalt.
11. Het eerste namens de benadeelde partij ingediende middel klaagt erover dat het hof ten onrechte de raadsman van de benadeelde partij niet in de gelegenheid heeft gesteld om ex art. 334, vierde lid, Sv de vordering van de benadeelde partij toe te lichten nadat de advocaat-generaal zijn requisitoir heeft gehouden.
12. Uit het proces-verbaal van terechtzitting van 26 maart 2003 blijkt dat de raadsman van de benadeelde partij de vordering vóór het requisitoir van de advocaat-generaal heeft toegelicht.
13. In de toelichting op het middel wordt ter adstructie HR 7 januari 1997, NJ 1997, 292 aangehaald, waarin de Hoge Raad oordeelde dat hoewel het niet naleven van het wettelijke voorschrift van art. 334, vierde lid, Sv niet met nietigheid is bedreigd, dit verzuim toch nietigheid ten gevolge moet hebben, aangezien het van wezenlijk belang is dat de beledigde partij in de gelegenheid wordt gesteld om te reageren op het standpunt van het Openbaar Ministerie.
14. In bovengenoemd arrest was de feitelijke situatie dat de benadeelde partij vóór de vordering van de advocaat-generaal de vordering had toegelicht maar geen spreektijd meer kreeg toegekend toen hij wilde reageren op de vordering van de advocaat-generaal.
15. In onderhavige zaak blijkt uit niets dat de raadsman van de benadeelde partij na de vordering van de advocaat-generaal heeft verzocht het woord te voeren noch dat het hof de raadsman van de benadeelde partij na de vordering van de advocaat-generaal heeft belet of geweigerd het woord te voeren. De raadsman heeft de vordering van de benadeelde partij vòòr het requisitoir toegelicht(4) en kennelijk bestond bij de raadsman geen behoefte meer om op de vordering van de advocaat-generaal te reageren.
16. Het middel faalt.
17. Het tweede middel richt zich tegen de afwijzing van de vordering van de benadeelde partij. Het hof zou ten onrechte hebben geoordeeld dat er in onderhavig geval geen sprake was van rechtstreekse schade.
18. Uit het arrest blijkt het volgende:
"De vordering van de benadeelde partij ingediend terzake van het onder 3 tenlastegelegde dient te worden afgewezen, aangezien de benadeelde partij het geld waarvan het goed dat de verdachte heeft aangenomen, geheel of gedeeltelijk is gekocht, zelf heeft verduisterd; door deze verduistering heeft deze benadeelde partij niet zelf rechtstreeks schade geleden."
19. Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces (art. 51a, eerste lid, Sv).
20. Van rechtstreekse schade is sprake indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd (Kamerstukken II 1989-1990, 21 345, nr. 3, p. 11).
21. In casu is de overtreden strafbepaling art. 416, tweede lid, Sr (voordeeltrekking).
22. In het strafbaar stellen van heling (art. 416 SrPro) kan men de bescherming zien tegen de continuering van de door een misdrijf zoals diefstal gecreëerde onrechtmatige vermogensrechtelijke toestand (zie NLR, suppl. 95, aant. 1 bij titel XXX en vgl. HR 21 maart 1998, NJ 1998, 537).
23. Nu de benadeelde partij, door de door hem gepleegde verduistering, de onrechtmatige vermogensrechtelijke toestand heeft gecreëerd, is het dan ook niet zijn belang dat door de strafbaarstelling in art. 416 SrPro wordt beschermd, maar het belang van het slachtoffer van de verduistering, zijnde de rechtmatige eigenaar.
24. Het middel faalt.
25. Het namens verzoeker voorgestelde middel faalt en leent zich voor toepassing van art. 81 ROPro.
26. De namens de benadeelde partij voorgestelde middelen falen en lenen zich voor toepassing van art. 81 ROPro.
27. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
28. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 De advocaat-generaal had ter zake van feit 1 en feit 3 primair tot vrijspraak gerekwireerd.
2 De Jong, De macht van de tenlastelegging in het strafproces, (diss. Groningen, 1981), p. 77.
3 Alleen het aannemen van de Ferrari (en niet tevens het tenlastegelegde aannemen van horloges, een motor en mobiele telefoon) is bewezenverklaard.
4 Deze gang van zaken is in de praktijk niet ongebruikelijk.