ECLI:NL:PHR:2004:AO9921

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00759/04 U
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 UitleveringswetArt. 4 lid 2 UitleveringswetArt. 187 Belgisch Wetboek van StrafvorderingArt. 3 lid 2 tweede aanvullend protocol EVRMArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over uitlevering bij verstekvonnis en verzetmogelijkheid in België

In deze zaak ging het om een uitleveringsverzoek van België waarbij de opgeëiste persoon bij verstek was veroordeeld door een Belgische rechtbank. De rechtbank in Nederland verklaarde de uitlevering ontoelaatbaar omdat het vonnis onherroepelijk was geworden zonder dat de opgeëiste persoon op de hoogte was gesteld van de mogelijkheid tot verzet.

De Hoge Raad stelde dat Nederland bij het Benelux-Uitleveringsverdrag geen voorbehoud heeft gemaakt voor uitlevering ter tenuitvoerlegging van verstekvonnissen. Volgens de Memorie van Antwoord bestaat in België altijd de mogelijkheid tot verzet, waardoor de verdachte verzekerd is van een contradictoire behandeling van zijn strafzaak.

De Hoge Raad oordeelde dat de opgeëiste persoon na het gebruik van de verzetmogelijkheid in voldoende mate zijn verdediging kan voeren voordat tot tenuitvoerlegging wordt overgegaan. De rechtbank was daarom ten onrechte uitgegaan van de onherroepelijkheid van het vonnis en verklaarde de uitlevering onterecht ontoelaatbaar.

De conclusie van de Hoge Raad was om de bestreden beslissing te vernietigen en de opgeëiste persoon op te roepen voor een nader te bepalen zitting om over het uitleveringsverzoek te worden gehoord.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beslissing van de rechtbank en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling van het uitleveringsverzoek.

Conclusie

Nr. 00759/04 U
Mr Jörg
Zitting: 18 mei 2004
Conclusie inzake:
[de opgeëiste persoon]
1. De rechtbank te Almelo heeft de uitlevering van de opgeëiste persoon aan België ter fine van strafvervolging ontoelaatbaar verklaard.
2. De officier van Justitie heeft tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld en een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel voert aan dat de rechtbank de uitlevering ten onrechte ontoelaatbaar heeft verklaard, althans dat de rechtbank de uitlevering ontoelaatbaar heeft verklaard op gronden die de ontoelaatbaarheid niet kunnen dragen.
4. De rechtbank heeft haar uitspraak als volgt gemotiveerd:
"Uit de overgelegde stukken blijkt dat de opgeëiste persoon bij verstek op 22 februari 1996 door de rechtbank van eerste Aanleg te Brussel is veroordeeld en dat die veroordeling niet aan hem in persoon is betekend, maar op 11 april 1996 aan de Procureur des Konings werkzaam bij de rechtbank van eerste Aanleg te Brussel. Eerst bij zijn verhoor op 9 december 2003 is [de opgeëiste persoon], voornoemd in het kader van artikel 14 van Pro de Uitleveringswet in kennis gesteld van de betekening van het gewezen vonnis door de rechtbank in eerste Aanleg te Brussel. [De opgeëiste persoon], voornoemd werd tijdens dit verhoor niet bijgestaan door een advocaat en er is hem tijdens dit verhoor niet gewezen op de mogelijkheid van verzet, zoals dit staat omschreven in artikel 187 van Pro het Belgisch Wetboek van strafvordering. Dit verzet dient binnen vijftien dagen, nadat het vonnis aan de betrokken persoon bekend is geworden, te geschieden. [De opgeëiste persoon], voornoemd heeft dit, ook nadat hij bijstand kreeg van de raadsvrouw, niet gedaan waardoor de kans op een nieuw proces en een eventueel hoger beroep niet mogelijk zijn. Met andere woorden het Belgisch vonnis is onherroepelijk geworden. Nu Nederland ingevolge artikel 4 lid 2 van Pro de Uitleveringswet geen onderdanen uitlevert ter executie waarvan de straf al vaststaat, acht de rechtbank de uitlevering niet toelaatbaar."
5. Het middel is terecht voorgesteld. De rechtbank gaat ten onrechte uit van de opvatting dat het Belgische verstekvonnis onherroepelijk is geworden en dat uitlevering ertoe zou leiden dat de opgeëiste persoon de hem opgelegde straf zou moeten ondergaan zonder in de gelegenheid te zijn geweest de hem bij art. 6 EVRM Pro toegekende rechten uit te oefenen.
6. De Nederlandse regering heeft bij de bekrachtiging van het hier toepasselijke Benelux-Uitleveringsverdrag geen voorbehoud gemaakt met betrekking tot uitleveringsverzoeken ter tenuitvoerlegging van verstekvonnissen. Ingevolge de Memorie van Antwoord(1), was de "noodzaak (daartoe) ook niet aanwezig" omdat met "betrekking tot verstekvonnissen geldt, dat in België en Luxemburg de mogelijkheid voor verzet altijd bestaat, zodat de verdachte in ieder geval verzekerd kan zijn van een contradictoire behandeling van zijn strafzaak."
7. De Hoge Raad houdt het er voor dat de opgeëiste persoon na gebruikmaking van de mogelijkheid van verzet steeds in de gelegenheid zal zijn om in de zaak die tot diens veroordeling bij verstek heeft geleid zijn verdediging te voeren alvorens tot tenuitvoerlegging van het vonnis zal worden overgegaan.(2)
8. Voor zover door de officier van Justitie tijdens de behandeling van het uitleveringsverzoek en in de toelichting op het cassatiemiddel wordt verwezen naar art. 3, tweede lid, van het tweede aanvullende protocol van het Europees Verdrag betreffende uitlevering wijs ik erop dat ingevolge de voorbehouden bij art. 28 EUV Pro in relatie tussen Nederland en België en Luxemburg het BUV van toepassing is en niet het EUV.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beslissing en tot oproeping van de opgeëiste persoon voor een nader te bepalen zitting van de Hoge Raad teneinde omtrent het verzoek tot zijn uitlevering te worden gehoord.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Kamerstukken II 1965-1966, 8054, nr. 10, blz. 7.
2 Zie HR 4 maart 2003, LJN: AF4250; HR 26 augustus 2003, LJN: AI0047 en HR 18 maart 1986, NJ 1986, 707.