ECLI:NL:PHR:2004:AP0033
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt verlies Nederlanderschap door vrijwillige verkrijging Israëlische nationaliteit
Verzoeker, geboren in Nederland uit Nederlandse ouders, emigreerde vrijwillig naar Israël en verkreeg daar de Israëlische nationaliteit op grond van de Israëlische Wet op de Terugkeer. Hoewel hij niet expliciet verklaarde de Israëlische nationaliteit te willen, heeft hij ook niet gebruikgemaakt van de mogelijkheid om deze af te wijzen.
De Rechtbank oordeelde dat verzoeker door zijn gedrag en omstandigheden daadwerkelijk de wil had om de Israëlische nationaliteit te verkrijgen, wat leidt tot verlies van het Nederlanderschap volgens art. 7, aanhef en onder 3, van de Wet op het Nederlanderschap (WNI). Dit oordeel is feitelijk en kan in cassatie niet worden getoetst.
De Hoge Raad bevestigt dat het verlies van Nederlanderschap niet afhankelijk is van een uitdrukkelijke wilsverklaring, maar ook kan volgen uit een onmiskenbare wil die blijkt uit gedrag en omstandigheden. Klachten over schending van gelijkheidsbeginsel, verdragsrecht en discriminatie worden verworpen, waarbij wordt benadrukt dat het verlies van Nederlanderschap niet op grond van godsdienst plaatsvindt, maar door de vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat verzoeker het Nederlanderschap verloor door vrijwillige verkrijging van de Israëlische nationaliteit.