ECLI:NL:PHR:2004:AP0187
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen terugwijzing naar rechtbank bij onterecht niet-erkende raadsman in verstekzaak
In deze zaak werd verdachte door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor het opzettelijk gebruik van een niet op zijn naam gesteld reisdocument. De verdediging stelde cassatiemiddelen in tegen het oordeel van het hof dat de zaak niet terugverwezen hoefde te worden naar de rechtbank, ondanks dat de raadsman in eerste aanleg ten onrechte niet als gemachtigde werd erkend en daardoor niet mocht spreken.
De Hoge Raad bevestigt dat terugwijzing naar de rechtbank alleen aan de orde is indien de rechtbank in eerste aanleg niet aan de hoofdzaak is toegekomen of wanneer sprake is van een ernstig defect, zoals een onpartijdige rechter die niet heeft kunnen oordelen of een kernpersoon die niet geldig is opgeroepen. Indien de hoofdzaak wel is behandeld, maar de raadsman niet mocht spreken, leidt dit niet automatisch tot terugwijzing.
De Hoge Raad benadrukt dat het recht van de verdachte op verdediging door een raadsman voldoende wordt gewaarborgd door de mogelijkheid tot nieuwe behandeling in hoger beroep. Ook het feit dat de raadsman niet om terugwijzing heeft verzocht, maakt dit niet anders. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de opgelegde straf, hoewel zwaarder dan interne richtlijnen van het openbaar ministerie, voldoende gemotiveerd is en dat het ontbreken van een strafmaatverweer in hoger beroep dit niet vereist anders te beoordelen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling en wijst terugwijzing naar de rechtbank af ondanks het verzuim in eerste aanleg.