ECLI:NL:PHR:2004:AP0963
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep in echtscheidingszaak wegens ontbreken gronden
De vrouw en man zijn in 1980 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. De man verzocht in 2001 echtscheiding uit te spreken. De vrouw maakte bezwaar en verzocht onder meer om het uitsluitende gezag over de kinderen, ontbinding huwelijkse voorwaarden, gebruik woning en alimentatie.
De rechtbank sprak in 2002 de echtscheiding uit, kende het gezag aan de vrouw toe, en bepaalde een beperkte alimentatieverplichting van de man. De vrouw stelde hoger beroep in tegen deze beschikking en verzocht onder meer om hogere alimentatie en toewijzing van de woning.
Het hof verklaarde het hoger beroep van de vrouw niet-ontvankelijk omdat het beroepschrift niet voldeed aan de eisen van duidelijke omschrijving van de gronden waarop het beroep berust. De vrouw had onvoldoende concreet gemaakt waarom de rechtbankbeslissing onjuist was.
De Hoge Raad bevestigt dat het ontbreken van voldoende gronden in het beroepschrift in beginsel leidt tot niet-ontvankelijkheid. De vrouw had onvoldoende onderbouwd waarom de alimentatie- en woningtoewijzingsbeslissingen onjuist waren. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vrouw wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van voldoende gronden in het beroepschrift.