ECLI:NL:PHR:2004:AP0978
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt recht op hernieuwd verzoek voorlopige machtiging onder Wet Bopz bij nieuwe feiten
Betrokkene was ter zake van zedenmisdrijven onder de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) geplaatst en verbleef in een forensisch psychiatrisch ziekenhuis. Naar het einde van de geldigheidsduur van deze maatregel vroeg de officier van justitie een voorlopige machtiging aan om het verblijf te verlengen. Dit verzoek werd aanvankelijk afgewezen wegens onvoldoende concreet gevaar.
Later diende de officier van justitie een nieuw verzoek in, ondersteund door een nieuwe geneeskundige verklaring en aanvullende informatie van politie en ouders, waarin het gevaar concreter werd onderbouwd. De rechtbank verleende toen een voorlopige machtiging voor zes maanden. Betrokkene stelde ontvankelijkheidsverweren en motiveringsklachten aan de orde in cassatie.
De Hoge Raad overwoog dat het nieuwe verzoek niet als een herhaling van het eerdere verzoek kon worden gezien, omdat er sprake was van nieuwe feiten en een uitgebreidere onderbouwing van het gevaar. De rechtbank had terecht het ontvankelijkheidsverweer verworpen en de motiveringsklachten onvoldoende gegrond bevonden. Het beroep werd verworpen, waarmee de voorlopige machtiging in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de voorlopige machtiging blijft gehandhaafd.