ECLI:NL:PHR:2004:AP1273
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring van beklag tegen niet-vervolging ambtsmisdrijven door ministers en leden Staten-Generaal
Klager diende een beklag in tegen het niet-vervolgen van strafbare feiten die hij toeschreef aan (oud-)bewindslieden, leden van de Tweede Kamer, ambtenaren en anderen, in verband met een fiscaal meningsverschil tussen zijn onderneming en de Belastingdienst.
De hoofdofficier van justitie weigerde een strafrechtelijk onderzoek te gelasten, waarna klager bij het gerechtshof en vervolgens bij de Hoge Raad beklag indiende. Het gerechtshof verklaarde zich onbevoegd voor zover het beklag betrekking had op ministers, staatssecretarissen en leden van de Staten-Generaal en verwees die onderdelen door naar de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelde dat het beklag betrekking had op ambtsmisdrijven waarvoor vervolging slechts mogelijk is na een Koninklijk Besluit of een besluit van de Tweede Kamer. Omdat een dergelijke opdracht ontbrak, werd klager niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om verdere behandeling werd afgewezen, waarbij het ontbreken van rechtsbescherming tegen de overheid in dit kader werd erkend maar niet kon worden opgelost door de rechter.
Uitkomst: Klager wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag wegens ontbreken van een opdracht tot vervolging.