ECLI:NL:PHR:2004:AP1318
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gerechtelijke vaststelling vaderschap ondanks ontbreken DNA-onderzoek
Verweerster heeft bij de rechtbank het vaderschap van betrokkene 1 gerechtelijk laten vaststellen. De rechtbank oordeelde dat betrokkene 1 de biologische vader is, mede op basis van erkenning door de echtgenote, financiële ondersteuning en andere bescheiden. Het hof bekrachtigde deze beschikking en verwierp het beroep van eiser die betoogde dat DNA-onderzoek had moeten worden gelast.
In cassatie stelde eiser dat het hof onterecht geen ambtshalve DNA-onderzoek had bevolen en dat er sprake moest zijn van een bijzondere bewijsregel. De Hoge Raad oordeelde dat de wet geen verplichting tot DNA-onderzoek voorschrijft en dat het hof terecht is uitgegaan van de gewone bewijsregels. Ook het horen van een niet-partij als informant werd niet onrechtmatig bevonden.
Het hof heeft het bewijs in onderling verband beoordeeld en voldoende gemotiveerd geoordeeld dat verweerster de dochter is van betrokkene 1. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de rechtmatigheid van de eerdere beslissingen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van het hof wordt bekrachtigd.