ECLI:NL:PHR:2004:AP1852

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C02/273HR
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 156 RvArt. 402 lid 2 RvArt. 339 lid 2 RvArt. 81 RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing gebruiksrecht en verwijdering prefabgarage in nalatenschapsgeschil

In deze zaak gaat het om een geschil binnen een nalatenschap waarin eiseres en haar familie gezamenlijk gerechtigd zijn. Eiseres vordert onder meer de verwijdering van een prefabgarage die door verweerder 2 op een perceel is geplaatst en het onthouden van belemmeringen van de toegang tot een boerderij via een oprit. De rechtbank en het hof hebben de gevorderde voorzieningen geweigerd.

Eiseres stelt dat zij een gebruiksrecht van weg heeft op een strook grond waarop de garage staat, en dat de garage onrechtmatig is geplaatst. Het hof oordeelt echter dat het gebruiksrecht niet aannemelijk is gemaakt en dat het proces-verbaal van een getuigenverhoor uit een andere procedure niet relevant is omdat het tardief is ingebracht en de inhoudelijke strekking niet ondersteunt dat de bungalow onder algemene titel is verkregen.

De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat het gebruiksrecht niet bestaat en dat de vordering tot verwijdering van de garage daarom moet worden afgewezen. Het cassatieberoep wordt verworpen omdat er geen vragen zijn die de rechtseenheid of rechtsontwikkeling dienen, met toepassing van art. 81 RO Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de vordering tot verwijdering van de prefabgarage wordt afgewezen.

Conclusie

C02/273HR
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 9 april 2004
Conclusie inzake:
[eiseres]
tegen
1. [verweerster 1]
2. [verweerder 2]
1. Feiten(1) en procesverloop
1.1 [Betrokkene 1] en verweerster in cassatie onder 1, [verweerster 1], zijn als broer en zus sinds 1967 tezamen gerechtigd in de nalatenschap van hun ouders.
Deze nalatenschap is nog steeds niet verdeeld en in dat kader zijn al diverse juridische procedures gevoerd.
1.2 Tot de onverdeelde nalatenschap behoort een boerderij, gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Woensdrecht, sectie [A] nummers [002 en 003].
1.3 [Betrokkene 1] en diens echtgenote wonen in deze boerderij althans hebben daar tot voor kort gewoond. Eiseres tot cassatie, [eiseres], staat thans(2) op dit adres ingeschreven en woont daar ook, naar zij stelt, hetgeen door [verweerster 1] niet wordt betwist.
1.4 In 1991 heeft [betrokkene 1] zijn onverdeeld aandeel in de nalatenschap overgedragen aan zijn vier kinderen, te weten [eiseres], haar twee zussen en haar broer.
1.5 [Verweerster 1] is sinds 1956 eigenaresse van de bungalow gelegen aan de [a-straat 2], kadastraal bekend gemeente Woensdrecht, sectie [A] nummer [001], welk perceel grenst aan het perceel [a-straat 1].
1.6 [Verweerster 1] heeft deze bungalow in 1956 van haar vader gekocht en heeft daar samen met haar echtgenoot gewoond. Sinds enige tijd verhuurt zij deze bungalow aan verweerder in cassatie onder 2, [verweerder 2].
1.7 [Verweerder 2] heeft omstreeks 1995 een prefabgarage op het door hem gehuurde perceel doen plaatsen. Deze garage is door [verweerder 2] eind 1999/begin 2000 binnen de kadastrale grenzen van het perceel enkele meters verplaatst.
1.8 In dezelfde periode is door [verweerder 2] een bouwvergunning voor deze garage aangevraagd, waaromtrent - voorzover uit de stukken blijkt - nog niet onherroepelijk is beslist.
1.9 Bij inleidende dagvaardingen van 3 en 5 juli 2001 heeft [eiseres] (samen met haar twee zussen) respectievelijk [verweerster 1] en [verweerder 2] gedagvaard in kort geding voor de president van de arrondissementsrechtbank te Breda en gevorderd hen te veroordelen de prefabgarage te verwijderen en zich in de toekomst te onthouden van enige belemmering van de toegang tot de boerderij via de oprit en van elke ingreep in dat perceel waardoor de per 18 maart 1989 bestaande inrichting of gebruik ervan zou worden gewijzigd.
Daarnaast hebben [eiseres] c.s. gevorderd dat [verweerder 2] wordt veroordeeld tot het intrekken van zijn verzoek voor de bouwvergunning en tot herstel van de door hem aangebrachte vernielingen van de oprit en tot het in de oorspronkelijke staat terugbrengen van de oprit, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom.
1.10 [Eiseres] c.s. hebben daartoe gesteld dat de prefabgarage zich op een oprit van de boerderij bevindt.
Volgens [eiseres] c.s. hebben zij spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen nu de administratieve procedure met betrekking tot de vergunningsaanvrage van [verweerder 2] is gestart en verhinderd moet worden dat aan de zich thans voordoende onrechtmatige situatie een permanent karakter wordt gegeven door verlening van een vergunning door de gemeente.
1.11 [Verweerster 1] en [verweerder 2] hebben gemotiveerd verweer gevoerd.
Bij vonnis van 13 augustus 2001 heeft de president van de rechtbank de gevorderde voorzieningen geweigerd.
1.12 [Eiseres] is (zonder haar twee zussen) op 27 augustus 2001 van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, onder aanvoering van een viertal grieven.
[Verweerster 1] en [verweerder 2] hebben primair de ontvankelijkheid van [eiseres] in haar hoger beroep bestreden en subsidiair inhoudelijk verweer gevoerd.
Het hof heeft bij arrest van 3 juni 2002 het vonnis van de president, onder verbetering van gronden, bekrachtigd.
1.13 [Eiseres] heeft tijdig(3) beroep in cassatie tegen het arrest van het hof ingesteld. [Verweerster 1] en [verweerder 2] zijn in cassatie niet verschenen(4). [Eiseres] heeft haar standpunt schriftelijk toegelicht.
2. Bespreking van de cassatiemiddelen
2.1 [Eiseres] heeft twee cassatiemiddelen gericht tegen de oordelen van het hof onder 4.7.3 en 4.8 van zijn arrest.
Voor een goed begrip van de zaak zijn de volgende rechtsoverwegingen van belang:
"4.7. Grief II en III lenen zich voor gezamenlijke behandeling nu deze beide betrekking hebben op de vraag of [eiseres] terecht aanspraak maakt op het gebruik van de litigieuze strook grond van het perceel van [verweerster 1]. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
4.7.1. [Eiseres] heeft ter onderbouwing van haar standpunt een beroep gedaan op een kortgeding-vonnis van 7 april 1989. (...)
(...).
4.7.3. Geheel ten overvloede merkt het hof op voorbij te gaan aan het proces-verbaal van het getuigenverhoor, zoals in een andere procedure door [verweerster 1] afgelegd, nog afgezien van het feit dat voormeld proces-verbaal in deze procedure volstrekt tardief in het geding is gebracht. Uit voormelde verklaring blijkt geenszins, zoals [eiseres] betoogt, dat [verweerster 1] de bungalow in het kader van de nalatenschap heeft verkregen. Weliswaar verklaart zij zulks, maar daarmee bedoelt zij, zo begrijp het hof, niet dat zij de bungalow onder algemene titel heeft verkregen. Zij verklaart immers eveneens dat zij de bungalow van haar van haar vader heeft gekocht en in de procedure waarin zij de desbetreffende verklaring heeft afgelegd, was volgens [verweerster 1] [betrokkene 1] juist ten bewijze opgedragen dat de koopsom niet zou zijn voldaan. Het ging aldaar dus ook om een verkrijging onder bijzondere titel, niet om een verkrijging onder algemene titel.
4.7.4. Voorts beroept [eiseres] zich op een stelling van [verweerster 1] in de dagvaarding van voormeld kort geding. (...)
4.7.5. Uit de gedingstukken van voormeld kort geding blijkt echter op geen enkele wijze dat [betrokkene 1] zich op een recht van weg op voormelde strook grond beroept. Integendeel. (...)
4.7.6. Het hof is dan ook van oordeel dat het bestaan van het door [eiseres] gepretendeerde gebruiksrecht van weg op voormelde strook grond geenszins aannemelijk is gemaakt, en dat voorts, in het licht van het dictum van het kort-gedingvonnis van 1989, aan dat vonnis geen gebruiksrecht van [eiseres] kan worden ontleend op de bewuste strook grond op het perceelsgedeelte B. Nu in het kader van een kort geding voor nadere bewijsvoering geen plaats is, moet het er thans voor worden gehouden dat [eiseres] geen gebruiksrecht van weg op de litigieuze strook grond toekomt. Haar vordering tot verwijdering van de prefabgarage dient op die grond dan ook te worden afgewezen.
4.8. Nu de grieven II en III niet slagen, is het belang aan grief IV komen te ontvallen en behoeft deze om die reden geen bespreking meer."
2.2 Het eerste cassatiemiddel komt in twee onderdelen op tegen rechtsoverweging 4.7.3.
Volgens onderdeel 1a heeft het hof met zijn oordeel dat het een door een partij overgelegd proces-verbaal van getuigenverhoor mede terzijde legt "omdat het afkomstig is uit een andere procedure", miskend dat het proces-verbaal een authentieke akte is als bedoeld in art. 156 lid 2 Rv Pro.(5) en dat het feit dat het uit een andere procedure afkomstig is, geen (deel van een) reden kan vormen om zulk bewijsmateriaal terzijde te leggen. Onderdeel 1b betoogt onder meer dat de combinatie van de twee andere afwijzingsgronden de overweging van het hof innerlijk tegenstrijdig maakt.
2.3 Het middel faalt omdat het is gericht tegen een overweging ten overvloede.
Het hof heeft in cassatie onbestreden onder 4.1 vastgesteld dat [verweerster 1] de bungalow, die zij met haar echtgenoot heeft bewoond, in 1956 van haar vader heeft "gekocht" en dus onder bijzondere titel heeft verkregen. Daarmee behoefde het hof de stelling van [eiseres] dat uit de verklaring van [verweerster 1] in het proces-verbaal van het getuigenverhoor zou blijken dat zij indertijd de bungalow in het kader van de nalatenschap (onder algemene titel) zou hebben verkregen, niet meer te beoordelen. Het toch bespreken van deze stelling van [eiseres] in rechtsoverweging 4.7.3 was voor het hof derhalve terecht "geheel ten overvloede".
2.4 Daarnaast mist onderdeel 1a feitelijke grondslag.
Het hof heeft het proces-verbaal van het getuigenverhoor niet terzijde gelegd omdat het afkomstig was uit een andere procedure, maar op twee andere gronden. Het hof is allereerst van oordeel dat het stuk in deze procedure volstrekt tardief in het geding is gebracht (formele grond). De tweede (inhoudelijke) grond is dat het betoog van [eiseres], dat [verweerster 1] de bungalow in het kader van de nalatenschap onder algemene titel had verkregen, geenszins uit de verklaring van [verweerster 1] in dat proces-verbaal kan worden afgeleid.
2.5 Het aan het hof als feitelijke rechter voorbehouden voorbijgaan aan het proces-verbaal omdat het tardief in het geding is gebracht, stond er niet aan in de weg dat het hof het betoog van [eiseres] tevens geheel ten overvloede inhoudelijk beoordeelde.
Voor het overige behoeft onderdeel 1b geen bespreking.
2.6 Het tweede cassatiemiddel komt op tegen rechtsoverweging 4.8. Daarin heeft het hof geoordeeld dat door het falen van de tweede en derde grief, het belang is komen te ontvallen aan grief IV, zodat deze geen bespreking behoefde. Grief IV was gericht tegen het oordeel van de president van de rechtbank dat gesteld noch gebleken was dat er hinder wordt ondervonden van de prefabgarage.
Betoogd wordt dat zonder nadere motivering onbegrijpelijk is waarom het hof zich bevrijd achtte van het behandelen van deze grief, nu juist de hinder die [eiseres] van deze garage ondervindt, de aanzet heeft gevormd tot het onderhavige kort geding.
2.7 Ook dit cassatiemiddel mist doel.
Het hof is in rechtsoverweging 4.7.6 tot de slotsom gekomen dat [eiseres] geen gebruiksrecht van weg toekomt op de strook grond waarop de prefabgarage zich bevindt. Bij die stand van zaken behoefde het hof niet te beoordelen of [eiseres] van die garage bij het gebruik van de daar bedoelde oprit hinder ondervindt. Dit oordeel, dat tot het achterwege laten van behandeling van de vierde grief leidt, is voldoende gemotiveerd.
2.8 Nu in deze zaak geen vragen worden opgeworpen die in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling beantwoording behoeven, kan het cassatieberoep worden verworpen met toepassing van art. 81 RO Pro.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Zie rov. 4.1 van het arrest van het hof Den Bosch van 3 juni 2002. Zie ook rov. 3.1 van het vonnis van de president van de rechtbank Breda van 13 augustus 2001.
2 D.w.z. ten tijde van het wijzen van het bestreden arrest.
3 De cassatiedagvaarding is op 29 juli 2003 uitgebracht. De cassatietermijn bedraagt acht weken (art. 402 lid 2 Rv Pro. in verbinding met art. 339 lid 2 Rv Pro.).
4 De verstekverlening van [verweerster 1] heeft geleid tot het interessante arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2003, NJ 2003, 113 m.nt. PV.
5 Nu in deze zaak het vóór 1 januari 2002 geldende procesrecht van toepassing is, zou niet het huidige art. 156 lid 2 Rv Pro. doch het gelijkluidende art. 183 oud Pro Rv. gelden.