ECLI:NL:PHR:2004:AP2052

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02248/03
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 451a SvArt. 408 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad oordeelt over tijdigheid hoger beroep door gedetineerde en aanwenden rechtsmiddel vanuit penitentiaire inrichting

In deze zaak heeft het gerechtshof te 's-Hertogenbosch een gedetineerde niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens overschrijding van de wettelijke termijn. De gedetineerde had het hoger beroep ingesteld door een schriftelijke verklaring vanuit de penitentiaire inrichting, maar het hof liet in het midden wanneer deze verklaring aan het hoofd van de inrichting was overhandigd.

De Hoge Raad stelt dat het systeem waarbij een gedetineerde eerst een sprekersbriefje moet invullen alvorens een schriftelijke verklaring ex art. 451a Sv kan worden opgesteld, niet strookt met de wettelijke regeling. Het hof had moeten onderzoeken wanneer de gedetineerde daadwerkelijk schriftelijk kenbaar maakte dat hij beroep wilde instellen. Dit is van belang voor de beoordeling van de tijdigheid van het beroep.

De Hoge Raad oordeelt dat het feit dat de gedetineerde mogelijk een dag te laat was met de formele indiening van de akte niet doorslaggevend is indien hij op de laatste dag van de termijn tijdens kantooruren aan een functionaris van de inrichting kenbaar heeft gemaakt dat hij beroep wenste in te stellen. De zaak wordt vernietigd en verwezen naar een ander hof voor verdere behandeling.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak naar een ander hof wegens onvoldoende onderzoek naar de tijdigheid van het hoger beroep door de gedetineerde.

Conclusie

Nr.02248/03
Mr. Jörg
Zitting 15 juni 2004
Conclusie inzake:
[verzoeker=verdachte]
1. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 1 augustus 2003 verzoeker vanwege overschrijding van de appèltermijn niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
2. Namens verzoeker heeft mr. drs. M.L. Marcus-Daniëls, advocaat te Rijen, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt erover dat het hof verzoeker ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard aangezien het verzoeker niet te verwijten valt dat het appèl tardief is ingesteld.
4. Op 17 april 2003 heeft de rechtbank te Breda verzoeker veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf. Verzoeker is ter terechtzitting van 3 april 2003 verschenen zodat ingevolge art. 408 Sv Pro het hoger beroep binnen veertien dagen na de einduitspraak van 17 april 2003, moest worden ingesteld. De laatste dag voor het instellen van beroep was derhalve 1 mei 2003.
5. Verzoeker heeft op 2 mei 2003 vanuit de penitentiaire inrichting hoger beroep ingesteld door het invullen van een verklaring ex art. 451a, eerste lid, Sv.
6. Blijkens het proces-verbaal van terechtzitting van 18 juli 2003 heeft verzoeker het volgende verklaard:
"In de gevangenis kun je een briefje invullen dat je hoger beroep wil aantekenen. Vervolgens komt er iemand langs van de afdeling bevolking en wordt de akte hoger beroep opgemaakt. Dit duurt echter vaak een dag of twee. Ik heb kennelijk verkeerd geteld. Ik heb de akte hoger beroep direct laten faxen."
7. Vervolgens heeft de advocaat-generaal tot niet-ontvankelijkheid van verzoeker gerekwireerd aangezien er geen verschoonbare reden is aangetoond voor het te laat aantekenen van het appèl.
8. Voorts heeft de raadsvrouwe het volgende aangevoerd:
"Dat verdachte te laat is geweest met het instellen van het hoger beroep is mogelijk een verrekening van zijn kant geweest. Het is erg vervelend maar ik refereer me aan het oordeel van het hof."
9. Het hof heeft geen overweging gewijd aan het betoog van verzoeker dat hij wel bijtijds een sprekersbriefje had ingevuld, maar dat hij pas enkele dagen later werd 'geholpen'. Het hof heeft enkel vastgesteld dat verzoeker op 2 mei appèl instelde. Daarmee heeft het hof de juistheid van verzoekers verklaring in het midden gelaten. Aangezien de wettelijke regeling van het instellen van een rechtsmiddel vanuit een penitentiaire inrichting niet voorschrijft dat de veroordeelde eerst een sprekersbriefje invult alvorens door de afdeling bevolking van de inrichting 'geholpen' te kunnen worden, laat de beweerde gang van zaken de conclusie toe dat verzoeker wèl tijdig hoger beroep heeft willen instellen (zie HR 24 oktober 1995, ZD0258).
10. Dat verzoeker zichzelf niet helemaal vrij pleitte, doordat hij - kennelijk op de hoogte van gang van zaken in de inrichting - zichzelf verwijt zich een paar dagen te hebben verrekend (verzoeker was één dag te laat) werpt geen ander licht op de zaak en mag hem mijns inziens niet worden tegengeworpen: wie op de laatste dag van de appèltermijn tijdens kantooruren aan een functionaris van de inrichting van wiens medewerking hij afhankelijk is te kennen geeft hoger beroep te willen instellen, is hoe dan ook op tijd. Deze regeling is evengoed van openbare orde, als die volgens welke de appèltermijn op de 15e dag verstreken is.
11. Aangezien niet is komen vast te staan op welk moment verzoeker zich tot de inrichtingsfunctionaris heeft gewend voor diens bijstand bij het opmaken van de appèlakte zal onderzoek daarnaar alsnog dienen plaats te vinden. Het middel mist feitelijk grondslag voor zover het uitgaat van niet vastgestelde feiten, maar is gegrond voor zover het klaagt over de gang van zaken, waaraan ik de ambtshalve overweging toevoeg dat het hof de beweerde gang van zaken niet in het midden mocht laten op straffe van blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting.
12. Naar aanleiding van het middel acht ik het beroep ambtshalve gegrond. Verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof is aangewezen.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beslissing en verwijzing.
De Procureur-Generaal
Bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG