ECLI:NL:PHR:2004:AP2562

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02988/03
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438.2 SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernieling parkeerautomaat door verdachte in Amsterdam

Op 2 november 2001 werd verdachte aangehouden op verdenking van het vernielen van een parkeerautomaat te Amsterdam. De politie ontving meldingen van een man die met een moker de automaat sloeg, en de signalementen kwamen overeen met verdachte. Ter plaatse werd een moker aangetroffen.

Het hof verklaarde bewezen dat verdachte opzettelijk en wederrechtelijk de parkeerautomaat had vernield en veroordeelde hem tot een geldboete van € 500,- subsidiair 10 dagen hechtenis. Verzoeker stelde in cassatie dat de bewijsmiddelen onvoldoende waren om de bewezenverklaring te dragen.

De Hoge Raad oordeelde dat de bewijsmiddelen voldoende waren om de bewezenverklaring te ondersteunen en dat de stelling dat de vrouw de verdachte uit het oog was verloren niet voor het eerst in cassatie kan worden ingebracht. Het cassatieberoep werd verworpen, en het bestreden arrest bleef in stand.

Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; veroordeling voor vernieling parkeerautomaat bevestigd.

Conclusie

Nr. 02988/03
Mr Jörg
Zitting 15 juni 2004
Conclusie inzake:
[verzoeker=verdachte]
1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft verzoeker bij arrest van 4 april 2003 terzake van - kort gezegd - vernieling van een parkeerautomaat veroordeeld tot een geldboete van € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis.(1)
2. Namens verzoeker heeft mr T.P. Schut, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. In het middel wordt erover geklaagd dat de bewezenverklaring niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.
4. Het hof heeft ten laste van verzoeker bewezenverklaard dat:
"hij op 2 november 2001 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een parkeerautomaat, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield door toen en aldaar opzettelijk en wederrechtelijk meermalen met kracht met een hard voorwerp tegen die automaat te slaan."
5. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof het volgende vastgesteld:
Op 2 november 2001 om 01.02 uur kreeg de politie Amsterdam een telefonische melding dat een man op de Palmgracht te Amsterdam bezig was een parkeerautomaat kapot te slaan met een moker. De man was vrij stevig gebouwd, was kaal en droeg een soort koltrui met daarover een licht jasje (bewijsmiddel 2). Nog geen minuut na deze melding belde een vrouw die woonde op de Palmstraat met de mededeling dat een man met een moker parkeermeters stuk sloeg. Zij omschreef de man als vrij stevig, kaal en met een donkere trui. De zoon van de vrouw had gezien dat de man de moker had verstopt en zijn jas had uitgetrokken en verstopt. De man liep daarop in de richting van de Brouwersgracht. Terwijl de vrouw aan de telefoon was met de politie bevestigde zij dat de desbetreffende (curs.v.NJ) man werd aangehouden door politieagenten (bewijsmiddel 2). Om 01.10 uur werd verzoeker aangehouden op de hoek van de Palmstraat en de Brouwersgracht. Hij voldeed aan het opgegeven signalement. Ter plaatse werd een grote moker aangetroffen (bewijsmiddel 3).
6. Met het middel is waarschijnlijk bedoeld naar voren te brengen dat de gebezigde bewijsmiddelen geenszins de mogelijkheid uitsluiten dat de op de Palmstraat woonachtige vrouw de man die zij zag enige tijd uit het oog is verloren en om die reden niet dezelfde behoeft te zijn als de man van wie zij zag dat hij werd aangehouden.
7. Een dergelijke stelling kan niet voor het eerst in cassatie worden betrokken. Vgl. HR 25 maart 2003, Nieuwsbrief Strafrecht 2003, 155. Voor het overige geldt dat, afgezien van hier niet aan de orde zijnde gevallen, ter beoordeling van de cassatierechter slechts staat of hetgeen is bewezenverklaard uit de gebezigde bewijsmiddelen kán worden afgeleid. Het antwoord op die vraag luidt, gelet op bovenstaande vaststellingen, bevestigend. De geopperde mogelijkheid lijkt mij - geheel ter zijde - tegen beter weten in geformuleerd.
8. Het middel faalt dus en leent zich voor afdoening aan de hand van art. 81 RO Pro.
9. Gronden waarop Uw Raad het bestreden arrest ambtshalve zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Het middel lijkt er vanuit te gaan dat het hof het vonnis van de politierechter heeft bevestigd. Ik schrijf 'lijkt' omdat de zinsopbouw van de schriftuur menigmaal onnavolgbaar is, zodat ik mijn hand er niet voor in het vuur durf te steken dat dit is wat de steller bedoelt.