ECLI:NL:PHR:2004:AP2609

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C03/138HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 399 RvArt. 401a lid 2 RvArt. 407 lid 2 RvArt. 13 algemene voorwaarden ABN AmRo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ruime beoordelingsvrijheid rechter bij procesbeleid en bindende eindbeslissingen in civiele procedure

In deze civiele zaak vordert ABN AmRo Bank N.V. van eiser een bedrag wegens een debetsaldo op een rekening-courant. Eiser stelt in reconventie dat ABN AmRo tekort is geschoten in haar dienstverlening als effectenintermediair, onder meer door manipulatie van effectenorders. De rechtbank wees de vordering van ABN AmRo toe en wees de reconventionele vordering af. Het hof stelde in een tussentijds arrest vast dat slechts een deel van de geschilpunten kon worden beslist en gaf nadere instructies, waaronder het opstellen van een deskundigenbericht over een specifieke optie-transactie van 15 april 1994.

De Hoge Raad benadrukt dat beslissingen over procesbeleid en het inwinnen van deskundigenberichten niet als bindende eindbeslissingen gelden en daarom niet in cassatie kunnen worden aangevochten zolang de lagere rechter nog een definitief oordeel kan geven. Het hof heeft volgens de Hoge Raad terecht geoordeeld dat de overige geschilpunten nog nader moeten worden onderzocht en dat het cassatieberoep tegen het tussentijdse arrest niet ontvankelijk is.

De Hoge Raad bespreekt uitgebreid het leerstuk van de bindende eindbeslissing en de ruime beoordelingsvrijheid van de feitelijke rechter bij procesbeleid. Het cassatieberoep faalt ook omdat eiser onvoldoende concreet heeft gesteld waar ABN AmRo tekort zou zijn geschoten, behalve voor de transactie van 15 april 1994. Het hof heeft de procedure op juiste wijze geleid door nadere bewijslevering toe te staan en het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het tussentijdse arrest geen bindende eindbeslissing bevat en het hof terecht zijn procesbeleid heeft bepaald.

Conclusie

Zaaknr. C03/138HR
Mr. Huydecoper
Zitting van 28 mei 2004
Conclusie inzake
[Eiser]
eiser tot cassatie,
tegen
ABN AmRo Bank N.V.
verweerster in cassatie
Feiten(1) en procesverloop
1. In deze zaak vorderde de verweerster in cassatie, ABN AmRo, van de eiser tot cassatie, [eiser], een bedrag van ongeveer f 800.000,-- terzake van het debetsaldo op een ten name van [eiser] bij ABN AmRo aangehouden rekening-courant.
Die vordering wordt op zichzelf niet betwist(2). [Eiser] verweerde zich - en verbond daar ook een eis in reconventie aan - met, voorzover in de onderhavige cassatieprocedure van belang(3), de stelling dat ABN AmRo hem, [eiser], grote schade heeft berokkend. Dat zou zijn gebeurd doordat ABN AmRo, kort gezegd, (ernstig) tekort is geschoten in de dienstverlening als effecten-intermediair. Het komt er, in een samenvatting die ik aan de processtukken van de kant van [eiser] ontleen(4), op neer dat (medewerkers en/of hulppersonen van) ABN AmRo in een ongeoorloofde "combine" met effectenorders zou(den) hebben gemanipuleerd, en daardoor andere (en natuurlijk: voor [eiser] minder voordelige) prijzen tot stand zou(den) hebben gebracht, dan het geval zou zijn bij correcte toepassing van de voor deze beurshandel (namelijk: de handel op de Amsterdamse Optiebeurs) geldende regels.
2. De vordering van ABN AmRo werd in eerste aanleg toegewezen, en die van [eiser] (in de reconventie) afgewezen.
In hoger beroep wees het Hof het thans in cassatie bestreden tussenarrest (waarin het Hof op de voet van art. 401 a lid 2 Rv. tussentijds cassatieberoep toelaatbaar verklaarde).
Dit arrest kan in zes relevante gedeelten worden onderscheiden:
a) de rov. 4.1 - 3: hierin spreekt het Hof bedenkingen uit over laattijdig bij akte in het geding gebrachte stukken, die vervolgens bij het pleidooi waartoe die stukken werden geproduceerd niet, of slechts summier zijn besproken; maar het hof verbindt daaraan vooralsnog geen andere (definitieve) beslissingen, dan dat die stukken pas in een later stadium van de procedure in de beoordeling zullen worden betrokken.
b) Rov. 4.6 - 7: hierin beoordeelt het Hof het verwijt, aan ABN AmRo, dat men (kort gezegd) op onverantwoorde wijze nader krediet aan [eiser] heeft verleend; en bevestigt het Hof de ook in de eerste aanleg bereikte uitkomst, dat dat verwijt niet gegrond is.
c) Rov. 4.8 - 11: in deze overwegingen beoordeelt het Hof het beroep van ABN AmRo op de "reclame-termijn"-clausule uit art. 13 van Pro ABN AmRo's algemene voorwaarden; met als uitkomst, dat dit art. 13 niet Pro in de weg staat aan [eiser]s beroep op beweerdelijk aan de zijde van ABN AmRo begane malversaties (namelijk: wat ik in alinea 1 hiervóór als een ongeoorloofde "combine" heb aangeduid).
d) Rov. 4.12 - 14: hierin stelt het Hof vast dat, behoudens de nader te noemen transactie van 15 april 1994, de verwijten van [eiser] niet beantwoorden aan de redelijkerwijs daaraan te stellen eis, dat concreet wordt aangegeven bij welke gelegenheid ABN AmRo "in de fout is gegaan". (Deze bevinding illustreert het Hof vervolgens met een overzicht van posita van [eiser] die het Hof - volgens mij: heel begrijpelijk - als onvoldoende concreet heeft aangemerkt).
e) Rov. 4.15 - 29: hierin onderzoekt het Hof [eiser]s beroep op de bijzonderheden van een op 15 april 1994 plaatsgevonden optie-transactie (met als uitkomst - in rov. 4.31 - dat de vaststaande feiten omtrent die transactie niet de conclusie rechtvaardigen dat ABN AmRo zo laakbaar zou hebben gehandeld, dat zij jegens [eiser] schadeplichtig is).
f) Rov. 4.30 - 37: hierin oordeelt het Hof allereerst dat, geabstraheerd van de transactie van 15 april 1994, van Helvoorts stellingen de conclusie dat ABN AmRo dusdanig laakbaar zou hebben gehandeld dat zij schadeplichtig is, niet rechtvaardigen (rov. 4.30). In rov. 4.31 volgt dan, zoals zojuist al opgemerkt, dezelfde beoordeling in verband met de transactie van 15 april 1994; maar met de belangrijke verbijzondering, dat [eiser] (zoals uit de rov. 4.31 en 4.33 blijkt: alléén in dit verband) wèl voldoende heeft gesteld om tot bewijs te worden toegelaten.
Daarop aansluitend wordt overwogen dat het Hof zijn oordeel of "de overige omstandigheden" in samenhang met de gebeurtenissen van 15 april 1994 de conclusie kunnen dragen dat ABN AmRo laakbaar heeft gehandeld (etc.), aanhoudt tot na de bewijslevering.
Vervolgens stelt het Hof nadere instructie in de vorm van een deskundigenbericht in het vooruitzicht, rov. 4.31 - 34. Zoals al aangestipt, sluit vooral rov. 4.33 iedere twijfel daarover uit, dat de vragen aan deskundigen (alleen) zien op de transactie van 15 april 1994.
Van de afsluitende rechtsoverwegingen is nog te vermelden rov. 4.36, waarin het Hof bepaalt dat de beslissing op [eiser]s vordering tot het overleggen van (talrijke) stukken resp. het afleggen van rekening en verantwoording, zal worden aangehouden.
3. [Eiser] heeft, gebruikmakend van het op de voet van art. 401a lid 2 Rv. gegeven "verlof", inderdaad cassatieberoep ingesteld, en wel: tijdig en regelmatig. ABN AmRo heeft tot verwerping laten concluderen. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten, en laten repliceren resp. dupliceren.
Het leerstuk van de bindende eindbeslissing, en het procesbeleid van de rechter in feitelijke aanleg
4. De rechter van de feitelijke instanties wordt met enige regelmaat geplaatst voor dilemma's die met recht lastig genoemd mogen worden. Ik noem, als niet geheel willekeurig gekozen voorbeeld, het geval van een partij die meent dat hij benadeeld is door "stiekeme" gedragingen van de wederpartij; die stelt dat hij, juist omdat het "stiekeme" gedragingen betreft, niet nader kan aangeven waarin de verweten gedragingen in concreto hebben bestaan; en die de rechter daarom uitnodigt om (een) deskundige(n) te benoemen om bij de wederpartij achter de schermen te gaan kijken, en vast te stellen bij welke gedragingen die wederpartij betrokken is geweest, en of die gedragingen inderdaad de verwijten waarop de eisende partij zich beroept, kunnen rechtvaardigen.
5. Het dilemma van de zojuist beschreven (verzonnen) casus bestaat er dan in, dat aan de ene kant niet kan worden aanvaard dat iemand een vordering baseert op verwijten die hij (nog) niet kan concretiseren - hoe zou men tegen een dergelijke vordering verweer kunnen voeren?; en dat, aan de andere kant, maar met moeite valt te verkroppen dat iemand die (werkelijk) het slachtoffer is geworden van "stiekeme" gedragingen met lege handen zou blijven staan, omdat degene aan wie het "stiekeme" gedrag wordt verweten er met recht op kan wijzen dat de ander niet de vinger kan leggen op de concrete ("stiekeme") handelingen waardoor hij is benadeeld - juist omdat zulke handelingen naar hun aard verborgen blijven.
6. De rechter (in feitelijke instantie) die met een dergelijk probleem wordt geconfronteerd - deze problemen zijn niet alledaags, maar zij komen toch met een zekere regelmaat voor(5) - staat voor een scala aan keuzemogelijkheden. Als aan de stellingen van de eiser ook het minimum aan plausibiliteit ontbreekt, kan hij de vordering afwijzen (alleen al) omdat onvoldoende gesteld is. Als de rechter zich over de (im)plausibiliteit van het door de eiser beweerde onvoldoende zeker voelt, kan hij in een aantal varianten nadere instructie bevelen. De comparitie, waarin om nadere concretisering van de kant van de eiser kan worden gevraagd, maar waarin ook de verweerder kan worden "doorgezaagd", is de meest voor de hand liggende (en ook vóór de recente herziening van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de in de praktijk meest toegepaste) instructiemaatregel. Maar afhankelijk van de omstandigheden kan de rechter ook kiezen voor uitnodigingen/bevelen tot het overleggen van stukken of tot het geven van nadere inlichtingen (in een geval zoals hier onder ogen gezien waarschijnlijk: aan de verweerder), óf voor wat het Hof in de onderhavige zaak heeft gedaan(6): een deskundigenbericht, toegespitst op dat deel van de stellingen van de eiser dat voldoende geconcretiseerd is om aanknopingspunten voor nader onderzoek te bieden.
7. Ik maak deze uitweiding om te illustreren dat er goede grond bestaat voor de regel dat de rechter van de feitelijke instanties een ruime vrije beoordelingsmarge heeft, als het erom gaat hoe, in een lastig geval als het hiervóór geschetste, de procedure in goede banen moet worden geleid(7). De redenen waarom controle in cassatie op dergelijke beslissingen onmogelijk en ook onwenselijk is, liggen voor de hand: het gaat bijna altijd om weging van - een veelheid aan - feitelijke omstandigheden; en doorkruising van het "procesbeleid" van de feitelijke rechter met cassatieberoep roept ook grote praktische bezwaren op (waarbij tijdverlies en kosten, terwijl daar nauwelijks "winst" van te verwachten is, het meest in het oog lopen).
8. Vanaf dit punt naar het leerstuk van de "bindende eindbeslissing" lijkt een sprong zonder logisch verband; maar ik zal aanstonds verdedigen waarom dat verband er wèl is.
Het aanknopingspunt in de wet voor het hier bedoelde leerstuk vormt art. 399 Rv Pro.: cassatieberoep is niet mogelijk ten aanzien van oordelen die nog in de feitelijke instanties kunnen worden "hersteld".
9. In de rechtspraak van de Hoge Raad is die bepaling zo uitgelegd, dat in cassatie kan worden geklaagd over beslissingen waarbij de lagere rechter uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel met betrekking tot een geschilpunt van partijen heeft gegeven(8). Dergelijke beslissingen kunnen niet meer worden "hersteld" omdat daarvoor geldt dat de rechter daarop in het verdere verloop van dezelfde instantie (overigens: met een smalle marge voor uitzonderingen) niet meer mag terugkomen(9) - een regel die berust op de gedachte dat het niet mogelijk moet zijn om het processuele debat te heropenen (althans: binnen dezelfde instantie) over punten waarover de rechter al een definitief oordeel heeft uitgesproken(10).
10. Niet ieder uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel geldt echter als een "bindende eindbeslissing". Het moet gaan om een beslissing ten aanzien van een geschilpunt van partijen(11). Het besluit om deskundigen te benoemen (althans: wanneer het geschil van partijen niet juist dáárover ging) is daarom géén "bindende eindbeslissing"; en daarvan mag de rechter in een later stadium van dezelfde instantie wèl terugkomen(12). Voor beslissingen over het procesbeleid overigens geldt, om voor de hand liggende redenen, (gewoonlijk) hetzelfde. Dergelijke beslissingen kunnen daarom hangende de betreffende instantie niet in cassatie worden bestreden: zij vallen, in beide varianten, binnen de categorie van beslissingen waar nog "herstel" van mogelijk is(13).
11. De in voetnoot 7 (onder a) resp. b)) genoemde beslissingen - beslissingen over procesbeleid en beslissingen over het al-dan-niet inwinnen van deskundigenbericht - komen dus langs twee wegen niet voor toetsing in cassatie in aanmerking: ongeacht het stadium van het geding, om de in nrs. 4-7 hiervóór besproken redenen; en als het om een tussenarrest gaat, ook om in de nrs. 8-10 hiervóór besproken redenen: dergelijke beslissingen zijn vrijwel nooit beslissingen over een tussen partijen in geschil zijnd punt, en vallen daarom niet in de categorie van de "bindende eindbeslissingen".
Zo wordt ook het verband duidelijk dat tussen beide categorieën bestaat: de regel van art. 399 Rv Pro. berust mede(14) op de gedachte dat men de feitelijke rechter bij het beleid dat deze voor de oplossing van het hem voorgelegde probleem kiest, zo min mogelijk "voor de voeten moet lopen". Op die gedachte kunnen zowel de in nrs. 4-7 besproken regels als de in nrs. 8-10 hiervóór besproken regel steunen.
Bespreking van de middelonderdelen
12. Na deze beschouwingen zal het duidelijk zijn waarom ik het cassatiemiddel ondeugdelijk vind.
13. Onderdeel 1.1. faalt, omdat het klaagt over een onjuiste beoordeling, door het Hof, van de thans in de procedure te nemen stap(pen), namelijk: het aanhouden van het oordeel over de gevorderde overlegging van stukken/rekening en verantwoording.
Uit het hiervóór besprokene blijkt dat een dergelijk oordeel aan de feitenrechter is voorbehouden, en dat zo'n oordeel bovendien gewoonlijk niet als "bindende eindbeslissing" mag worden aangemerkt; zodat ook daarom "tussentijds" cassatieberoep niet openstaat.
14. Volledigheidshalve merk ik nog op dat het middelonderdeel volgens mij (ook) niet aan art. 407 lid 2 Rv Pro. voldoet, omdat het niet aangeeft waarom de door het Hof gegeven oordelen niet verantwoord mogelijk zouden zijn zonder de stukken waarvan [eiser] overlegging heeft gevorderd, c.q. zonder de door [eiser] gevorderde rekening en verantwoording. Zoals in nr. 2 sub f hiervóór opgemerkt, betreft het door het Hof wenselijk geoordeelde deskundigenbericht alléén de transactie van 15 april 1994. Van die transactie wordt, blijkens prod. 21 bij de Memorie van Grieven (en het petitum van die Memorie) nu juist géén documentatie gevorderd. Het (beperkte) onderzoek waartoe het Hof aanleiding heeft gezien lijkt mij (al) daarom heel goed mogelijk zónder de gegevens waarnaar dit middelonderdeel verwijst.
15. Onderdeel 1.2. bestrijdt de motivering van hetzelfde oordeel. Uit het hoger besprokene blijkt echter dat een dergelijk oordeel geen specifieke motivering behoeft.
Intussen hééft het Hof dit oordeel alleszins adequaat gemotiveerd: zoals in nr. 2 sub d en f hiervóór aangegeven, heeft het Hof aangenomen dat [eiser] met betrekking tot de andere gebeurtenissen dan het evenement van 15 april 1994 niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, en dat wat [eiser] wèl gesteld heeft, de conclusie van (kort gezegd) schadeplichtigheid van ABN AmRo niet kan dragen; zodat [eiser] niet tot bewijs kan worden toegelaten. Daaruit vloeit op alleszins begrijpelijke wijze voort, waarom het Hof nog onvoldoende houvast meende te hebben om over het in verband hiermee gevorderde te (kunnen) oordelen.
(Waarom het in rov. 4.10. van het bestreden arrest overwogene hieraan - anders dan dit middelonderdeel betoogt - niet afdoet, behoeft, denk ik, geen nadere toelichting).
16. Onderdeel 2.1. klaagt in wezen over hetzelfde als onderdeel 1.1., maar nu in verband met 's Hofs beslissing dat een deskundigenbericht (met een beperkte onderzoeksopdracht) in dit stadium van het geding aangewezen is.
Hier geldt weer het in nr. 13 hiervóór opgemerkte: dit betreft een oordeel dat aan de rechter van de feitelijke instantie is voorbehouden, en dat tevens gewoonlijk niet kan worden aangemerkt als "bindende eindbeslissing".
Ook het in nr. 14 opgemerkte acht ik overigens hier van toepassing: nu geen overlegging van de documentatie van de transactie van 15 april 1994 werd gevorderd, begrijp ik niet waarom een deskundigenbericht over die transactie niet alleszins zinvol mogelijk zou zijn, zonder dat er allerlei documenten en gegevens over andere transacties zijn "ingebracht". Het middel geeft niet aan waarom het anders zou zijn.
17. 's Hofs beperking van het deskundigenbericht tot de transactie van 15 april 1994 berust niet, zoals onderdeel 2.1. oppert, op een prognose omtrent de uitkomst van bewijslevering, maar berust op het oordeel dat alleen ten aanzien van deze transactie aan de stelplicht is voldaan. Dat is (daargelaten hoe ver de motiveringsplicht van de feitelijke rechter in dit verband gaat) meer dan voldoende om de onderhavige beslissing begrijpelijk te maken. Om deze reden (overigens inhoudelijk dezelfde reden als zojuist in nr. 15 besproken) faalt ook de motiveringsklacht van onderdeel 2.2.
18. Onderdeel 3 klaagt over het in nr. 2 sub a hiervóór in parafrase weergegeven oordeel. Dat oordeel behelst per saldo alleen maar, dat de door [eiser] laattijdig ingebrachte stukken pas in een later stadium van het geding zullen worden beoordeeld (de beschouwingen over proceskosten in deze rov. zijn nog geheel "vrijblijvend", en leveren ongetwijfeld géén eindbeslissing op).
Ook hier geldt dat, zoals eerder uitvoeriger besproken, een dergelijke beslissing over procesbeleid aan de rechter van de feitelijke instantie voorbehouden is èn dat zo'n beslissing gewoonlijk niet als "eindbeslissing" mag worden gekwalificeerd(15). De redenen die het Hof voor deze beslissing heeft gegeven - het gaat blijkbaar om (bij akte overgelegde) uitvoerige schriftelijke beschouwingen die bij pleidooi niet of nauwelijks zijn toegelicht, en waarvan (dus) kwestieus is, in hoeverre ABN AmRo daarop adequaat heeft kunnen, danwel heeft hoeven reageren - maken (wederom daargelaten dat de motiveringsplicht van de feitelijke rechter in dit verband niet (zo) ver gaat) meer dan voldoende duidelijk, waarom het Hof zo heeft besloten.
19. In de schriftelijke toelichting (dupliek) namens ABN AmRo wordt volgens mij met recht gesignaleerd, dat de schriftelijke toelichting namens [eiser] in eerste termijn enkele klachten bevat die niet uit het cassatiemiddel kunnen worden "gehaald". Het gaat dan om (een deel van) de klachten uit de alinea's 3.2., 3.3. en 4.1. van die schriftelijke toelichting. Deze klachten zijn als tardief aan te merken; ik zal er daarom niet op ingaan.
Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep(16).
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
1 De feiten zijn door de rechtbank in rov. 3.2 van het op 13 maart 2001 gewezen (eind)vonnis vastgesteld. Het hof verwijst daarnaar in rov. 4.4 van het in cassatie bestreden arrest.
2 Zie (ook) de beschouwingen in rov. 9 van het bestreden arrest.
3 Het cassatieberoep richt zich tegen een tussenarrest. Daarin heeft het Hof een deel van de geschilpunten beslist; maar daarop wordt in cassatie niet teruggekomen. Een ander - aanmerkelijk - deel van de geschilpunten wordt daarin nog niet beslist, omdat het Hof daarover nog nadere instructie nodig oordeelde. Ik streef er in deze conclusie naar, mij te onthouden van beschouwingen over de nog "openstaande" geschilpunten: die zijn in cassatie niet aan de orde, en de feitelijke rechter zal daarover nog (nader) moeten oordelen. Zowel het een als het ander levert grond op om er dan in deze instantie het zwijgen toe te doen.
4 Memorie van Grieven, Inleiding sub 1 en Grief I sub 4.
5 Zie voor interessante beschouwingen over één verschijningsvorm van dit probleem Gielen, Bescherming van bedrijfsgeheimen, Preadvies Vereeniging "Handelsrecht" 1999, p. 52 e.v.; en HR 20 december 2002, NJ 2004, 4 m.nt. JBMV.
6 Anders dan de eerdere tekst zou kunnen doen vermoeden, suggereer ik hiermee niet dat ik het standpunt van [eiser] in deze zaak als (enigszins) plausibel aanmerk. Daarover spreek ik, om voor de hand liggende redenen, geen oordeel in positieve of negatieve zin uit. Wel moet mij van het hart dat (ook) ik niet heb kunnen begrijpen waarom het risico dat men neemt door opties op een termijn van zeven maanden te (ver)kopen, wezenlijk kleiner zou worden als men tegelijk opties voor dezelfde nominale waarden, maar zonder resterende looptijd (ver)koopt - wat een belangrijk element uit de stellingen van [eiser] is. Ik begrijp dat het risico van de transactie bepaald wordt door de waardefluctuaties als gevolg van koerswijzigingen in de komende zeven maanden (aangenomen dat de aankoopprijs een aan het begin al bestaand koersverschil "overbrugt"); maar ik zie niet in dat dit door de gecombineerde (ver)kooptransactie wezenlijk anders wordt. Ik begrijp dan ook wèl de overwegingen uit rov. 4.28 en 4.29 van het bestreden arrest - het Hof ziet daar hetzelfde probleem onder ogen.
Intussen: de stukken scherpen de lezer in dat het hier gecompliceerde materie betreft, die door de leek gemakkelijk kan worden misverstaan. Misschien is dat de hier aan het woord zijnde leek overkomen.
7 In de onderhavige zaak zijn twee manifestaties van deze generieke regel aan de orde, namelijk
a): dat de "feitelijke" rechter vrij is in de keuze van de volgorde waarin hij geschilpunten behandelt en/of instructiemaatregelen beveelt (HR 8 maart 2002, JOL 2002, 161, rov. 5.2.; HR 25 februari 2000, NJ 2000, 311, rov. 3.3.; HR 26 juni 1998, NJ 1998, 778, rov. 3.8. Dat een oordeel over procesbeleid geen motivering behoeft blijkt uit HR 31 mei 1963, NJ 1966, 372 ("O. t.a.v. het tweede middel"), maar zie ook HR 23 januari 2004, RvdW 2004, 20, rov. 3.4; en
b): dat de "feitelijke" rechter naar eigen inzicht beoordeelt of, en zo ja: in welke opzichten en op welke manier, hij voorlichting van deskundigen nodig heeft (HR 6 december 2002, NJ 2003, 63, rov. 3.5.; HR 14 december 2001, NJ 2002, 73, rov. 3.3.3.; HR 8 juni 2001, NJ 2001, 433, rov. 3.5.3.; HR 19 mei 2000, NJ 2000, 455, rov. 3.4.; HR 19 november 1999, NJ 2000, 234 m.nt. ARB, rov. 3.8.; HR 8 april 1994, NJ 1994, 550, rov. 3.4.; Hugenholtz-Heemskerk, Hoofdlijnen van het Nederlands Burgerlijk Procesrecht, 2002, p. 93).
8 HR 12 september 2003, NJ 2003, 604, rov. 4.1.; HR 8 maart 2002, JOL 2002, 161, rov. 5.2.; HR 3 september 1999, NJ 2001, 405 m.nt. ThMdB, rov. 3.7. (waaruit blijkt dat de beslissing ook een aanvankelijk niet als geschilpunt gepresenteerd gegeven kàn betreffen); HR 24 september 1993, NJ 1994, 226, rov. 3; HR 24 september 1993, NJ 1994, 227 m.nt. HER, rov. 3; HR 19 december 1975, NJ 1976, 574 m.nt. WHH, "O. omtrent middel II".
9 HR 12 mei 1995, NJ 1995, 514, rov. 3.5.; HR 25 september 1992, NJ 1992, 752, rov. 3; HR 23 juni 1989, NJ 1990, 381 m.nt. JBMV onder nr. 382, rov. 4.4.; Snijders-Wendels, Civiel Appèl, 2003, p. 90 (nr. 67); Veegens-Korthals Altes-Groen, Cassatie in Burgerlijke Zaken, 1989, nr. 62.
10 Asser, Civiele Cassatie, 2003, p. 59; Snijders-Wendels, Civiel Appèl, 2003, p. 90 (nr. 68) en p. 96/97 (nr. 77); Veegens-Korthals Altes-Groen, Cassatie in Burgerlijke Zaken, 1989, nr. 62.
11 Zoals in voetnoot 8 bleek, volgt uit HR 3 september 1999, NJ 2001, 405 m.nt. ThMdB, rov. 3.7, dat het ook kan gaan om een aanvankelijk niet omstreden feitelijk gegeven waarover later verschil van mening tussen partijen ontstaat; zie ook Snijders-Wendels, Civiel Appèl, 2003, p. 88.
12 HR 24 oktober 2003, rechtspraak.nl. LJN nr. AL7035, rov. 3.4. Deze beslissing maakt duidelijk dat oordelen van dit type geen "bindende eindbeslissingen" zijn, én dat daarom geen cassatieberoep daarvan mogelijk is voordat de lagere rechter definitief heeft beslist (namelijk: omdat art. 399 Rv Pro. zich daartegen verzet). Dat de rechter van beslissingen als deze mag terugkomen was al duidelijk uit HR 8 juni 2001, NJ 2001, 433, rov. 3.6.1. en HR 19 juni 1998, NJ 1999, 288 m.nt. WMK, rov. 4.2.2.; zie ook Snijders-Wendels, Civiel Appèl, 2003, p. 89.
13 Zie ook Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Korthals Altes, art. 399, aant. 1.
14 Er zijn natuurlijk ook andere redenen waarom het niet aangaat dat de cassatierechter wordt benaderd met vragen waarover de lagere rechter nog geen definitief oordeel heeft uitgesproken - bijvoorbeeld dat de omgekeerde regel de proceseconomie ernstig zou ondergraven èn overmatige belasting van de cassatierechter uitlokt.
15 In het debat in cassatie heeft [eiser] doen opmerken dat het feit dat het Hof cassatieberoep van zijn tussenarrest toelaatbaar heeft verklaard, zo zou moeten worden begrepen dat het Hof alle thans in cassatie bestreden oordelen zelf heeft aangemerkt als "eindbeslissingen". Dat betoog is om meer dan een reden niet aannemelijk. Ik noem als voorbeeld, dat het bestreden arrest een aantal beslissingen bevat waarvan aannemelijk is dat die wèl als "eindbeslissing" bedoeld zijn (zoals de in nr. 2 sub b, c en d hiervóór geparafraseerd weergegeven beslissingen); en dat het in de rede ligt dat het Hof (alleen) met het oog op die beslissingen, ruimte voor tussentijds cassatieberoep heeft willen geven - waaraan niet afdoet dat die ruimte niet is benut.
Overigens kan deze tegenwerping (ook) niet afdoen aan het feit, dat beslissingen over procesbeleid en over het inwinnen van deskundigenbericht zich nu eenmaal niet lenen voor inhoudelijke toetsing in cassatie.
16 Sommige van de in deze conclusie besproken argumenten zouden kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Ik meen intussen dat verwerping het meest in aanmerking komt, mede gezien het feit dat het middel volgens mij geen vragen aan de orde stelt die in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling hoeven te worden beantwoord.