ECLI:NL:PHR:2004:AP2649

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C03/201HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80 lid 1 ROArt. 88 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toewijzing vordering wegens schade aan gehuurde woning na niet verschijnen eiser

Eiser werd door de woningcorporatie DWV gedagvaard wegens het niet in goede staat achterlaten van een gehuurde woning, met een vordering van €1.379,28. De kantonrechter stelde een comparitie van partijen vast voor 12 maart 2003, waarbij eiser niet verscheen ondanks behoorlijke oproeping. De kantonrechter wees de vordering toe omdat eiser geen bericht van verhindering gaf en zijn verweer niet handhaafde.

Eiser kwam hiertegen in cassatie met twee middelen. Het eerste middel betrof het niet verschijnen wegens plotselinge ziekte op 9 april 2003, terwijl de comparitie feitelijk op 12 maart 2003 plaatsvond. Dit middel faalde wegens feitelijke onjuistheid. Het tweede middel klaagde over de conclusie van de kantonrechter dat het niet verschijnen en het niet verstrekken van inlichtingen betekende dat eiser zijn verweer niet kon of wilde handhaven. De Hoge Raad verwierp dit middel omdat tegen kantonrechterlijke vonnissen zonder hoger beroep geen cassatieberoep mogelijk is wegens schending van het recht.

De Hoge Raad bevestigde daarmee het eindvonnis van de kantonrechter en verwierp het cassatieberoep van eiser, die tevens verstek was verleend wegens zijn afwezigheid.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd.

Conclusie

Rolnr. C03/201HR
Mr L. Strikwerda
Zt. 18 juni 2004
conclusie inzake
[Eiser]
tegen
Dongense Woningbouwvereniging
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij exploit van 6 juni 2002 heeft thans verweerster in cassatie, hierna: DWV, thans eiser tot cassatie, hierna: [eiser], gedagvaard voor de Rechtbank Breda, sector Kanton, locatie Tilburg, en gevorderd dat [eiser] zal worden veroordeeld om aan haar te betalen een bedrag van - in hoofdsom - Euro 1.379,28. Daartoe heeft DWV gesteld dat [eiser] van haar een woning heeft gehuurd, dat de huurovereenkomst met ingang van 21 februari 1997 is geëindigd, dat [eiser] schade aan het gehuurde heeft toegebracht en dit bij het verlaten niet in goede staat heeft achtergelaten en opgeleverd, en dat zij te dier zake pro resto Euro 1.379,28 van [eiser] heeft te vorderen.
2. Nadat [eiser] de vordering van DWV op verschillende gronden had bestreden, heeft de Kantonrechter bij tussenvonnis van 8 januari 2003 een comparitie van partijen gelast.
3. De comparitie van partijen heeft plaatsgevonden ter terechtziting van de Kantonrechter op 12 maart 2003. DWV is verschenen en namens haar is een verklaring afgelegd. [Eiser] is niet verschenen.
4. Bij eindvonnis van 9 april 2003 heeft de Kantonrechter de vordering van DWV toegewezen. De Kantonrechter overwoog onder meer:
"Ter comparitie is gedaagde niet verschenen, hoewel hij behoorlijk was opgeroepen. Er is geen bericht van verhindering of andere reactie van gedaagde meer ontvangen.
Eiseres heeft ter zitting haar vordering toegelicht en gehandhaafd. (...).
De door eiseres nader gestelde feiten zijn door gedaagde onweersproken gelaten, zodat deze als in rechte vaststaand kunnen worden beschouwd. Bovendien kan uit het niet verschijnen van gedaagde en aan het niet voldoen aan zijn verplichting om aan de kantonrechter nadere inlichtingen te verstrekken de conclusie worden getrokken dat hij zijn verweer niet kan of wil handhaven. De vordering is dus toewijsbaar."
5. [Eiser] is tegen het eindvonnis van de Kantonrechter (tijdig) in cassatie gekomen met een uit twee onderdelen opgebouwd middel. DWV is in cassatie niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.
6. Onderdeel 1 van het middel komt op tegen de overweging van de Kantonrechter dat [eiser], hoewel behoorlijk opgeroepen, ter comparitie niet is verschenen en dat van hem geen bericht van verhindering of andere reactie is ontvangen. Het onderdeel, dat kennelijk wil betogen dat dit laatste gedeelte van de overweging van de Kantonrechter zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is, stelt dat [eiser] door plotseling opgekomen gezondheidsproblemen in de avond van 8 april 2003 ter observatie in een ziekenhuis is opgenomen en opgenomen is gebleven tot en met de volgende middag. In de middag van 9 april 2003 heeft [eiser], zo vervolgt het onderdeel, direct contact opgenomen met de griffie van het Kantongerecht om opgaaf van redenen te doen waarom hij niet ter comparitie van 9 april 2003 is verschenen. Zijn afwezigheid is vervolgens schriftelijk aan de griffie van het Kantonrecht bevestigd, aldus het onderdeel.
7. Blijkens het bestreden vonnis en het proces-verbaal dat van de compartie van partijen is opgemaakt, is de comparitie (nader) bepaald tegen de terechtzitting van 12 maart 2003 en heeft zij ook op deze terechtzitting plaatsgevonden. Het onderdeel, dat kennelijk ervan uitgaat dat de comparitie is bepaald tegen en heeft plaatsgevonden op de terechtzitting van 9 april 2003, mist derhalve in zoverre feitelijke grondslag. De stelling dat [eiser] op 9 april 2003 door ziekte verhinderd was te verschijnen en dat hij de griffie van het Kantongerecht daarvan op de hoogte heeft gesteld, maakt, ook indien zij juist zou blijken te zijn, de gewraakte overweging van de Kantonrechter dan ook niet onbegrijpelijk. Het onderdeel faalt derhalve.
8. Onderdeel 2 van het middel klaagt erover dat de Kantonrechter in strijd met het bepaalde in art. 88 lid 4 Rv Pro en derhalve ten onrechte ervan is uitgegaan dat uit het niet verschijnen van [eiser] en het niet voldoen aan zijn verplichting om aan de Kantonrechter inlichtingen te verstrekken de conclusie kan worden getrokken dat hij zijn verweer niet kan of wil handhaven.
9. Het onderdeel, dat een rechtsklacht inhoudt, is tevergeefs voorgesteld. Het verliest uit het oog dat ingevolge het bepaalde in art. 80 lid 1 RO Pro tegen een vonnis van een kantonrechter in een burgerlijke zaak waartegen geen hoger beroep kan of kon worden ingesteld, een partij geen beroep in cassatie kan instellen wegens schending van het recht. In de klacht van onderdeel 2 kan [eiser] derhalve niet worden ontvangen.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,