ECLI:NL:PHR:2004:AP2680
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepasselijkheid van Nederlands recht op verzoek tot vernietiging erkenning in Oostenrijk
Deze zaak betreft het verzoek van een Oostenrijkse man tot vernietiging van zijn erkenning van een in Nederland wonend kind, die hij in Oostenrijk heeft erkend. De man stelde op grond van een DNA-test dat hij niet de biologische vader is en dat hij door dwaling tot erkenning is gekomen.
De rechtbank wees het verzoek toe op basis van Nederlands recht, maar het hof vernietigde deze beschikking en wees het verzoek af, waarbij het hof oordeelde dat het Nederlandse recht van toepassing is op het verzoek tot vernietiging, ondanks dat het Oostenrijkse recht als nationaal recht van de erkenner geldt volgens het tot 1 mei 2003 geldende internationaal privaatrecht.
De Hoge Raad bevestigde de redenering van het hof en oordeelde dat de Nederlandse rechter terecht het Nederlandse materiële recht toepast op het verzoek tot vernietiging, mede vanwege de terugverwijzing (renvoi) door het Oostenrijkse internationaal privaatrecht naar het Nederlandse recht. Het beroep van de man werd verworpen omdat hij onvoldoende stelde voor dwaling en de verwijzing naar het Nederlandse recht juist was toegepast.
De Hoge Raad wees ook klachten af dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het Nederlandse recht werd toegepast en dat het hof niet het Nederlandse internationaal privaatrecht had moeten toepassen op de erkenning in Oostenrijk. De beslissing bevestigt de toepassing van renvoi in internationale erkenningszaken en de beoordeling van vernietiging van erkenning naar het materiële recht van het kind.
Uitkomst: Het verzoek tot vernietiging van de erkenning wordt afgewezen en Nederlands recht is van toepassing.