ECLI:NL:PHR:2004:AP4134
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Nietigheid arrest wegens ontbreken recht op laatste woord verdachte
De verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld wegens medeplegen van zware mishandeling tot een gevangenisstraf van anderhalf jaar en een schadevergoedingsmaatregel van € 3516,80. In cassatie wordt aangevoerd dat het hof de verdachte niet het recht heeft gelaten om het laatste woord te voeren, zoals vereist in art. 311 lid 4 Sv Pro.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat de verdachte deze gelegenheid is geboden. De Hoge Raad bespreekt de betekenis van het recht op het laatste woord, waarbij het onderscheid wordt gemaakt tussen de verdachte en zijn raadsman. Hoewel in de praktijk het laatste woord vaak een ruimere functie heeft, blijft het een verplichting aan de verdachte om ondubbelzinnig de gelegenheid te geven dit recht uit te oefenen.
De Hoge Raad overweegt dat het ontbreken van een vermelding in het proces-verbaal niet zonder meer tot nietigheid hoeft te leiden, maar dat in dit geval geen twijfel mag bestaan over het al dan niet verlenen van het recht op het laatste woord. Omdat deze zekerheid ontbreekt en het recht een waarborgfunctie heeft, wordt het middel gegrond verklaard.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest en verwijst de zaak naar een ander hof voor hernieuwde berechting. Er zijn geen gronden gevonden om ambtshalve te vernietigen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens het ontbreken van het recht op het laatste woord aan de verdachte.