ECLI:NL:PHR:2004:AP4229
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens bedrieglijke verkorting van schuldeisersrechten bij faillissement
De zaak betreft een veroordeling van verdachte wegens het aannemen van een betaling van een opeisbare schuld ten gevolge van overleg met de schuldenaar, in het vooruitzicht van het faillissement van de schuldenaar, waarbij het faillissement is gevolgd. Verdachte, financieel adviseur en vriend van de schuldenaar, had kennis van diens ernstige betalingsproblemen en had met hem afgesproken dat een winkelpand zou worden verkocht om openstaande schulden te voldoen, waardoor andere schuldeisers werden benadeeld.
Het hof verwierp het verweer van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij het belang van de samenleving bij normhandhaving prevaleerde boven het belang van verdachte. De Hoge Raad bevestigt deze afweging en oordeelt dat de overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkheid leidt, maar wel tot strafvermindering kan leiden.
De Hoge Raad behandelt tevens de interpretatie van art. 344 Sr Pro, waarbij wordt vastgesteld dat het vereiste overleg tussen schuldeiser en schuldenaar inhoudt dat de schuldeiser het oogmerk moet hebben gehad om zichzelf boven andere schuldeisers te bevoordelen. De eis dat ook de schuldenaar dit oogmerk moet hebben gehad, wordt niet gesteld om te voorkomen dat schuldeisers zich aan strafvervolging kunnen onttrekken.
Ten slotte wordt het opleggen van een hogere vervangende hechtenis dan door het openbaar ministerie gevorderd niet als onrechtmatig beoordeeld, en wordt het beroep van verdachte verworpen.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geldboete van dertigduizend euro, subsidiair 285 dagen hechtenis wegens bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers.