1 Rov. 4.2 van het bestreden arrest.
2 Een chroom-koper-arseenverbinding (CCA).
3 Zie conclusie van repliek tevens houdende wijziging van eis onder 12. Overigens wijs ik erop dat het petitum een aanmerkelijk smallere grondslag van de eis omschrijft dan rechtbank en hof in aanmerking hebben genomen. Het (gewijzigde) petitum spreekt van "schade (...) als gevolg van de onrechtmatige daad die de Gemeente jegens [eiseres] gepleegd heeft door haar, [eiseres], vanaf 29 oktober 1973 te verplichten tot het gebruik van een uiterst schadelijk houtverduurzamingsmiddel zonder daarbij de normen van veiligheid in acht te nemen en bovendien gedurende een zekere periode een uiterst schadelijke wijze van impregneren voor te schrijven". In het petitum van de memorie van grieven (waarin overigens mede een verklaring voor recht wordt gevorderd), wordt de aan de Gemeente verweten onrechtmatige daad niet wezenlijk anders omschreven: "door haar, vanaf 29 oktober 1973 te verplichten tot het gebruik van een uiterst schadelijk houtverduurzamingsmiddel, zonder daarbij de normen van maatschappelijke zorgvuldigheid in acht te nemen en bovendien vanaf 1991 een in combinatie met dat middel, uiterst schadelijke wijze van nabehandelen van geïmpregneerd hout voor te schrijven".
4 Conclusie van antwoord onder 25-35.
5 Conclusie van antwoord onder 36-42.
6 Conclusie van repliek, p. 4.
7 Conclusie van dupliek onder 38.
8 Het bestreden arrest dateert van 15 april 2003; de cassatiedagvaarding is op 15 juli 2003 uitgebracht.
9 Conclusie van repliek, p. 2 (de cassatiedagvaarding spreekt kennelijk abusievelijk van p. 3), derde gedachtestreepje en onder g.
10 De cassatiedagvaarding noemt, kennelijk als gevolg van een verschrijving, als datum van de verklaring 18 juli 1997.
11 Zie mijn conclusie vóór HR 6 december 2002, NJ 2003, 616, m.nt. MS, onder 2.2.
12 De bedoelde passage luidt aldus: "Ten aanzien van "III. Grondslag van de vordering van [eiseres]" merkt [eiseres] op dat hij zijn stelling handhaaft dat er sprake is van een onrechtmatige daad in de meest ruime zin des woords (dat wil zeggen dat door [eiseres] ook als onrechtmatig wordt aangemerkt het nemen van een maatregel die weliswaar op zich i.c. uit het oogpunt van zorg voor mens en milieu te rechtvaardigen is, maar omdat daar geen redelijke vergoeding tegenover staat voor [eiseres], terwijl hij door deze maatregel wel schade lijdt, niet in het algemeen, maar wel jegens [eiseres] juist door het uitblijven van een schaderegeling/vergoeding, een onrechtmatig karakter krijgt) en dat deze vordering niet verjaard is."
13 Het hiervóór in 1.6 onder iv omschreven verwijt met betrekking tot het niet vergoeden van de schade van [eiseres] betreft niet haar schade als gevolg van het bevel van de burgemeester, maar haar schade als gevolg van de wijziging van haar hinderwetvergunning. Ook volgens [eiseres] zelf moet zorgvuldig tussen het bedoelde bevel en de wijziging van de hinderwetvergunning worden onderscheiden, al was het maar in verband met de reikwijdte van de bestuursrechtelijke rechtsbescherming en het daarmee samenhangende leerstuk van de formele rechtskracht. Zie daarover schriftelijke toelichting mr. Barendrecht onder 8-10.
14 De klacht luidt dat "(i)n r.o. 4.7.4 (...) de verklaring van [betrokkene 1] (wordt) gereduceerd tot "een uitlating" van [betrokkene 1] jegens [eiseres] (...)" (onderstreping toegevoegd; LK).
15 Memorie van grieven, p. 25. Ik baseer mij hier op de memorie van grieven zoals ik die in het procesdossier van de Gemeente aantrof. In het procesdossier van [eiseres] bevindt zich een niet ondertekende memorie van grieven die van de memorie van grieven in het procesdossier van de Gemeente afwijkt. Kennelijk gaat het daarbij om een eerdere, nog niet definitieve versie van die memorie, nu datum en lay-out daarvan afwijken van de memorie van grieven in het dossier van de Gemeente en de pagina met het in algemene bewoordingen vervatte aanbod tot het leveren van getuigenbewijs daaraan ontbreekt.
16 Zie ook rov. 4.7.3, slot.
17 Zie voor enkele voorbeelden van gevallen waarin het onbesproken laten van een bewijsaanbod onvoldoende inzicht bood in de gedachtegang die heeft geleid tot het kennelijk oordeel dat het aanbod diende te worden gepasseerd HR 20 november 1998, NJ 1999, 611, m.nt. S.C.J.J. Kortmann, en HR 29 oktober 1999, NJ 1999, 823. Het onbesproken laten van een bewijsaanbod leidde niet tot cassatie in (onder meer) HR 26 juni 1998, NJ 1998, 728, m.nt. PAS en HR 23 juni 2000, NJ 2000, 517.