ECLI:NL:PHR:2004:AP4502
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de toepassing van de driejarige scheidingstermijn bij echtscheiding in de Nederlandse Antillen
De zaak betreft een echtscheidingsgeschil tussen een man en vrouw uit de Nederlandse Antillen met twee minderjarige kinderen. De vrouw verzocht om echtscheiding, maar de man verzette zich omdat zij nog niet drie jaar onafgebroken duurzaam gescheiden zouden hebben geleefd, zoals vereist in art. 1:150 lid 2 BWNA Pro.
De rechtbank stelde dat de kinderen niet uit het huwelijk waren geboren en wees het verzoek toe. Het hof stelde later vast dat de kinderen wel waren gewettigd en dus als uit het huwelijk geboren moesten worden beschouwd, waardoor de driejarige termijn van toepassing werd. Het hof concludeerde dat partijen weliswaar onder één dak woonden, maar duurzaam gescheiden leefden, zonder gezamenlijke huishouding of samenwerking.
De man stelde cassatie in tegen deze beslissing en voerde aan dat samenwonen in één huis het ontbreken van een gezamenlijke huishouding niet uitsluit, en dat het hof ten onrechte oordeelde dat er sprake was van duurzaam gescheiden leven. De Hoge Raad oordeelde dat duurzaam gescheiden leven betekent dat de gezamenlijke huishouding is opgeheven en niet te verwachten is dat deze wordt hersteld, ook als partijen onder één dak wonen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het hof niet buiten het geschil trad en een juiste rechtsopvatting hanteerde. De bescherming van minderjarige kinderen tegen lichtvaardige echtscheiding blijft uitgangspunt, maar het feitelijk ontbreken van een gezamenlijke huishouding is doorslaggevend voor de toepassing van de driejarige termijn.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de echtscheiding wordt uitgesproken omdat partijen duurzaam gescheiden leven, ook al wonen zij onder één dak.