AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt causaal verband en beperkt smartengeld bij whiplashletsel na verkeersongeval
Op 27 oktober 1992 vond een verkeersongeval plaats waarbij eiser letsel opliep, vermoedelijk een licht whiplashletsel. Diverse medische onderzoeken concludeerden dat er geen objectiveerbare lichamelijke beschadigingen waren, maar dat de klachten zoals nekpijn, misselijkheid en concentratiestoornissen wel aanwezig waren. De Rechtbank en het Hof stelden vast dat het ongeval de oorzaak was van de klachten en dat er sprake was van een functionele invaliditeit van maximaal 5%, waarbij het Hof uitging van 2% vanwege de ernst van de klachten.
Eiser vorderde een aanzienlijke schadevergoeding wegens inkomensderving en immateriële schade. De Rechtbank kende een deel van de vordering toe, waaronder f 7.000 aan smartengeld. Het Hof bevestigde dit oordeel grotendeels, maar beperkte het smartengeld en het percentage invaliditeit. In cassatie werd onder meer betoogd dat het percentage invaliditeit te laag was vastgesteld en dat het smartengeld ontoereikend was.
De Hoge Raad oordeelde dat het causaal verband tussen het ongeval en de klachten vaststaat en dat de omkeringsregel correct is toegepast, maar dat het Hof onvoldoende duidelijkheid gaf over de grondslag van het smartengeld. De Hoge Raad achtte het bedrag van f 7.000 redelijk en billijk gezien de aard en duur van de klachten. De klachten die later ontstonden konden niet zonder meer leiden tot een hoger percentage invaliditeit. De procedure duurde ruim acht jaar, waarbij deskundigenrapporten en belastbaarheidsprofielen een belangrijke rol speelden.
De Hoge Raad verwierp de meeste klachten van eiser en bevestigde het oordeel van het Hof, met uitzondering van de onduidelijkheid omtrent het smartengeld, waarvoor een beperkte vernietiging plaatsvond. De aansprakelijkheid van Turien werd bevestigd, evenals de toegewezen schadevergoeding.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt het causaal verband en beperkt de functionele invaliditeit tot 2%, met een smartengeldvergoeding van f 7.000.
Conclusie
Rolnr. C03/048HR
mr J. Spier
Zitting 7 mei 2004
Conclusie inzake
[eiser]
tegen
de v.o.f. Turien & Co(1)
(hierna: Turien)
1. De feiten
1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan (rov. 2.1 t/m 2.4 van het eerste tussenvonnis van de Rechtbank te Alkmaar van 12 september 1996). Ook het Hof is daarvan in zijn in cassatie bestreden arrest uitgegaan (rov. 3).
1.2 Op 27 oktober 1992 heeft te Amsterdam een aanrijding plaatsgevonden. Een bij Turien verzekerde automobiliste is toen met de door haar bestuurde auto op een voor haar rijdende auto gebotst. Als gevolg daarvan botste die auto vervolgens op de door [eiser] bestuurde auto.
1.3 [Eiser] heeft als gevolg van de botsing letsel opgelopen.
1.4 Turien heeft jegens [eiser] aansprakelijkheid erkend voor de uit dit ongeval voortvloeiende schade.
1.5 Op verzoek van Turien heeft [eiser] medewerking verleend aan een medisch onderzoek door de neuroloog [betrokkene 5] naar de directe alsmede de eventuele blijvende gevolgen voor [eiser] van het ongeval.
1.6 In het kader van dit onderzoek is [eiser] op 17 februari 1994 onderzocht door [betrokkene 6], verbonden aan de afdeling neuropsychologie van het Academisch ziekenhuis Leiden. De conclusies van haar rapport van 2 maart 1994 luiden:
"Op grond van bovenstaande kom ik tot het volgende antwoord op de gestelde vraag betreffende tekenen van metale deterioratie die aan het ongeval zouden kunnen worden toegeschreven. 1. Tekenen van achteruitgang van of stoornissen in cognitief functioneren levert het onderzoek niet op; 2. ook overigens worden geen tekenen van mentale functiestoornissen gevonden; 3. onderzochte geeft wel tekenen van vermoeidheid en pijn, doch laat deze klachten niet tot verminderd presteren leiden; 4. de betekenis van fysieke klachten behoeft afzonderlijke evaluatie."
1.7 Voorts is [eiser] onderzocht door [betrokkene 7], verbonden aan de afdeling keel-neus-oorheelkunde, "vestibulaire afdeling" van het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam. De conclusies van zijn rapport d.d. 22 juni 1994 luiden:
"Bij algemeen KNO-onderzoek vind ik geen afwijkingen. Bij vestibulair onderzoek m.b.v. electronys-tagmografie blijkt er geen spontane of positienystagmus van pathologische waarde te zijn. Er zijn geen aanwijzingen voor perifeer vestibulaire pathologie. Het rotatie-onderzoek levert geen afwijkingen op. Het oogvolgingsbewegingspatroon is geheel normaal. De latentietijden blijven binnen de limieten, die aan het normale gesteld worden, de snelheiden zijn normaal. De glijdende volgbewegingen worden met normale snelheid en grote zuiverheid uitgevoerd. Samengevat kan ik stellen, dat ik bij mijn onderzoek geen aanwijzingen heb gevonden voor perifeer vestibulaire pathologie, noch voor enige afwijking in het oculomotorisch systeem. Er zijn geen aanwijzingen voor enige functiestoornis in de hersenstam. Van de lichte dysbalans, waarover patiënt klaagt, heb ik bij het onderzoek geen aanwijzingen aangetroffen."
1.8 Op basis van de hiervoor verrichte onderzoeken en van de gegevens van de behandelende artsen (de neurologen [betrokkene 8] en [betrokkene 9] zomede de huisarts [betrokkene 10]) alsmede op basis van eigen onderzoek heeft [betrokkene 5] de door de medisch adviseur van Turien aan hem gestelde vragen als volgt beantwoord in zijn medisch rapport van 9 september 1994:
"V 1. Welke diagnose stelt u ten aanzien van de gevolgen van het ongeval d.d. 27 oktober 1992?
A 1. Betrokkene heeft op 27 oktober 1992 mogelijk een licht weke-delen-letsel van de cervicale wervelkolom opgelopen, dat slechts aanleiding heeft gegeven tot kortdurende cervicogene klachten welke na een latente periode geleidelijk aan weer zijn toegenomen en gepaard zijn gegaan met andere neurasthene verschijnselen.
V 2. Waaruit precies bestond het opgelopen letsel?
A 2. Zie mijn antwoord op vraag 1.
V 3. Welke klachten en objektieve afwijkingen zijn er nu nog? Staan deze in oorzakelijk verband met het ongeval of zijn de huidige klachten geheel of gedeeltelijk toe te schrijven aan de arbeidssituatie waarin benadeelde voor het ongeval reeds verkeerde? A 3. Betrokkene klaagt thans over cervicogene pijnen, misselijkheid, evenwichtsstoornissen en concentratiestoornissen. Deze klachten konden niet worden geobjectiveerd. Zij kunnen niet worden toegeschreven aan een lichamelijke beschadiging die is opgelopen bij het ongeval van 27 oktober 1992. Of zij in verband staan met de arbeidssituatie van betrokkene voor het ongeval kan ik niet beoordelen. Het lijkt mij echter aannemelijk dat situatieve factoren wel een rol spelen bij het huidige klachtenpatroon.
V 4. Kan er worden gesproken van een geconsolideerde toestand en in het bevestigende geval wanneer werd deze (ongeveer) bereikt?
A 4. Er kan worden gesproken van een geconsolideerde toestand die gekenmerkt is door het ontbreken van objectiveerbare tekenen van een lichamelijke beschadiging als gevolg van het ongeval van 27 oktober 1992. Deze geconsolideerde toestand was bereikt toen de kort na het ongeval ontstane nekklachten weer waren verdwenen, hetgeen op 28 oktober 1992 reeds het geval was.
V 5. Indien er naar uw mening nog geen sprake is van een eindtoestand, wanneer verwacht u deze dan? V 5. Is er rekening te houden met enige mate van blijvende invaliditeit en zo ja, op welk percentage funktieverlies wordt deze door u gewaardeerd? Kunt u zo nauwkeurig mogelijk aangeven welke beperkingen er precies bestaan?
A 5. Er is geen reden om aan te nemen dat er een blijvende invaliditeit bestaat als gevolg van een lichamelijke beschadiging die betrokkene zou hebben opgelopen bij het ongeval van 27 oktober 1992.
V 6. Welke belemmeringen bestaan er als gevolg van de door u op uw vakgebied vastgestelde ongevalsgevolgen?
A 6. Er zijn geen belemmeringen in het functioneren als gevolg van het ongeval van 27 oktober 1992.
V 7. Waarop schat u het eventuele percentage blijvende invaliditeit, gerelateerd aan de gehele mens, ongeacht het beroep bij voorkeur volgend de AMA-richtlijnen, 3e druk?
A 7. Er bestaat geen blijvende invaliditeit op grond van een lichamelijke beschadiging op mijn vakgebied die betrokkene opgelopen zou hebben bij het ongeval van 27 oktober 1992.
V 8. Hoe acht u de prognose?
A 8. Over de prognose van het thans bestaande neurasthene klachtenpatroon kan ik mij niet uitspreken, aangezien dit niet berust op een beschadiging van het centrale of perifere zenuwstelsel dan wel de directe omhullingen daarvan welke zou zijn ontstaan door het ongeval van 27 oktober 1992."
2. Het verloop van de procedure
2.1 [Eiser] heeft bij dagvaarding - op verkorte termijn - van 22 december 1995 gevorderd dat Turien wordt veroordeeld tot betaling van f 949.842,76 c.a. Het gaat daarbij om inkomstenderving, kosten keuringen, immateriële schade (aanvankelijk f 50.000, later f 17.500) en kosten van juridische bijstand. Bij akte van 24 november 1999 heeft [eiser] dit bedrag verminderd tot f 745.083,44(2) c.a. In appèl heeft [eiser], naar het Hof in rov. 1 - in cassatie niet bestreden - heeft vastgesteld f 944.842,76 gevorderd.
2.2 Turien heeft de vordering bestreden.
2.3 Bij tussenvonnis van 12 september 1996 heeft de Rechtbank aangegeven dat en waarom zij een deskundigenbericht nodig acht naar het oorzakelijk verband tussen de klachten en het ongeval. Als sprake is van causaal verband, dient een arbeidsdeskundige onderzoek in te stellen naar de mate van arbeidsongeschiktheid. De Rechtbank hanteert als uitgangspunt de - onder 1.8 vermelde - vraagstelling van Turien.
2.4 Bij tussenvonnis van 30 januari 1997 heeft de Rechtbank tot deskundigen benoemd [betrokkene 1] van de afdeling neurologie van het Academisch Ziekenhuis te Utrecht en de arbeidsdeskundige [betrokkene 2]; in plaats van [betrokkene 2] is bij latere rolbeschikking [betrokkene 3] benoemd. [Betrokkene 1 en 3] hebben verslag van hun bevindingen uitgebracht. Bij tussenvonnis van 17 februari 2000 vraagt de Rechtbank om een nadere rapportage van deze deskundigen. Het gaat er daarbij om dat zij tezamen en in overleg met elkaar en zonodig met medewerking van de deskundige [betrokkene 4] op basis van de medische rapportage van [betrokkene 1] een beperkingenprofiel dienen op te stellen. Daarbij heeft de Rechtbank aangegeven dat uitsluitend die beperkingen worden opgenomen die naar het oordeel van [betrokkene 1] als gevolg van het [eiser] overkomen ongeval kunnen worden aangemerkt. [Betrokkene 3] dient aan de hand van het nieuwe beperkingenprofiel aan te geven welke van de eerder door hem reeds aangegeven functies [eiser] daadwerkelijk zou kunnen vervullen, gelet op zijn kansen op de arbeidsmarkt (rov. 4).
2.5 In haar derde tussenvonnis van 29 januari 1998 stelt de Rechtbank vast dat partijen niet (voldoende) hebben bestreden dat het ongeval de aanleiding vormt tot de huidige klachten; het causaal verband staat daarmee vast (rov. 6).
2.6 In haar eindvonnis van 1 februari 2001 heeft de Rechtbank Turien veroordeeld tot betaling van f 20.140,92, vermeerderd met de wettelijke rente en de deskundigenkosten.
2.7.1 De Rechtbank memoreert dat [betrokkene 3] de functie "hoofd financiële administratie" als maatman heeft gehanteerd (rov. 3). Vervolgens vat zij in rov. 4 en 5 [betrokkene 3]s conclusies samen: heel kort gezegd: sprake is van enig verlies in verdienvermogen.
2.7.2 Hierop staat de Rechtbank stil bij de bevindingen van [betrokkene 1] (rov. 10):
"(...) [Betrokkene 1] heeft in zijn rapport van 23 mei 1997 onder meer geconcludeerd dat de huidige klachten van [eiser] gedeeltelijk hun oorzaak vinden in het ongeval van 27 oktober 1992. In welke mate dat het geval is heeft [betrokkene 1] in zijn rapport niet duidelijk kunnen aangeven. [Betrokkene 1] houdt het in zijn rapport zeer wel voor mogelijk dat andere factoren dan het ongeval een deel van de thans door [eiser] ondervonden klachten hebben veroorzaakt. Blijkbaar heeft [betrokkene 1] bij de opstelling van BP alleen de beperkingen opgenomen waarvan hij thans op basis van zijn deskundigheid de overtuiging heeft dat deze hun oorzaak vinden in het ongeval. Naar de rechtbank begrijpt betreft het hier beperkingen als gevolg van spierspanningshoofdpijn en stijfheid van de nekmusculatuur. Opvallend daarbij is voorts dat er ten aanzien van de beweging van de nek zelf, ondanks de daarbij optredende pijnklachten, geen beperkingen zijn opgenomen omdat, zo blijkt uit het rapport en de bijlagen, naar het oordeel van [betrokkene 1] juist het blijven bewegen van de nek is geïndiceerd, mits voldoende tijd wordt genomen voor afwisseling van houding en oefeningen. De deskundigheid van [betrokkene 1] op zijn vakgebied is door [eiser] niet in twijfel getrokken. In hetgeen overigens door [eiser] is aangevoerd ziet de rechtbank onvoldoende grond om het deskundig oordeel van [betrokkene 1] in twijfel te trekken. De rechtbank maakt dit oordeel dan ook tot het hare."
2.7.3 In rov. 14 concludeert de Rechtbank onder meer:
"Op basis van de inhoud van het deskundigenbericht moet worden geconcludeerd dat [eiser] als gevolg van het ongeval niet zodanige beperkingen heeft ondervonden dat hij niet langer in staat was zijn functie of een gelijkwaardige functie uit te oefenen, zij het dat hij als gevolg van het onder 5 en 12 besprokene geacht moet worden enige schade te hebben geleden doordat hij in zijn functie niet optimaal zou hebben gepresteerd. De omvang van die schade laat zich niet becijferen. De rechtbank zal dit schadebestanddeel daarom ex aequo et bono vaststellen en wel op een bedrag van f 15.000,--".
2.7.4 Ten aanzien van de omvang van de immateriële schade wordt overwogen dat hier:
"(...) eveneens van belang [is] dat [eiser] als gevolg van het ongeval niet zodanige beperkingen heeft ondervonden dat hij niet langer in staat was zijn functie of een gelijkwaardige functie uit te oefenen. Gelet op alle omstandigheden van het geval acht de rechtbank een vergoeding van f 7.000,-- redelijk en billijk."
2.8.1 [Eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen en beschikking(3) van de Rechtbank. Turien heeft incidenteel beroep ingesteld.
2.8.2 In de toelichting op de grieven I, III, IV en V zet [eiser] - zeer kort gezegd en onder verwijzing naar medische rapporten - uiteen dat hij reeds terstond na het ongeval (in feite) arbeidsongeschikt is geworden. Voordien was hij gezond en vertoonde zijn carrière een stijgende lijn. De functionele invaliditeit moet, volgens [eiser](4), op 5% worden vastgesteld. De functies die hij, volgens [betrokkene 3], zou kunnen vervullen, kan hij allerminst vervullen.(5) In de toelichting op grief V kant hij zich tegen de gehanteerde maatman-maatstaf. Grief VI komt op tegen de bepaling van de hoogte van het smartengeld.
2.9 Voor zover thans nog van belang strekken de incidentele grieven ten betoge dat er geen causaal verband bestaat (grief II).
2.10 In zijn arrest van 10 oktober 2002 heeft het Hof, zowel in het principale als in het incidentele beroep, de tussenvonnissen zomede de rolbeschikking van de Rechtbank bekrachtigd. Het Hof heeft het eindvonnis vernietigd op het punt van de proceskostenveroordeling. Het Hof heeft vervolgens, opnieuw rechtdoende, de proceskosten in eerste aanleg gecompenseerd.
2.11.1 's Hofs oordeel steunt - voor zover thans nog van belang - op de navolgende overwegingen.
2.11.2 Wat het causaal verband betreft, stelt het Hof in rov. 4.7 voorop:
"Indien door een als onrechtmatige daad aan te merken gedraging een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt, is daarmee het causaal verband tussen die gedraging en de aldus ontstane schade in beginsel gegeven en is het aan degene die op grond van die gedraging wordt aangesproken, om te stellen en zonodig te bewijzen dat die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan."
2.11.3 Hierop staat het Hof stil bij en citeert het uit een aantal bevindingen van [betrokkene 5], de medisch adviseur van Turien, [betrokkene 11] en [betrokkene 1] (rov. 4.8 - 4.10). Het Hof trekt heruit de volgende conclusie:
"Naar het oordeel van het hof kan uit de medische stukken niet anders worden afgeleid dan dat [eiser] door het ongeval een -al of niet licht- whiplashletsel heeft opgelopen. Uit die stukken kan voorts worden opgemaakt dat de huidige klachten van [eiser], waarvan op zichzelf het bestaan niet ter discussie staat, passen bij een dergelijk letsel. Een ongeval als onderhavige roept het risico van een whiplash-letsel en de daarbij passende klachten in het leven. Nu er bij [eiser] sprake is geweest van een whip-lashletsel en zijn klachten na het ongeval passen bij een dergelijk letsel, moet naar het oordeel van het hof worden aangenomen dat het bedoelde risico zich heeft verwezenlijkt. Daarmee is het causaal verband tussen het ongeval en de klachten van [eiser] - en de daaruit voortvloeiende schade - in beginsel gegeven. De omstandigheid dat een specifieke, medische aantoonbare verklaring voor de huidige klachten van [eiser] niet kan worden vastgesteld, staat daaraan niet in de weg. De omstandigheid dat een specifieke, medisch aantoonbare verklaring voor de huidige klachten niet kan worden vastgesteld, staat daaraan niet in de weg.
4.12 Het is aan Turien om te stellen en zonodig te bewijzen dat de klachten ook zonder het ongeval zouden zijn ontstaan. Turien heeft gesteld dat de klachten (ook) aan andere factoren zijn toe te schrijven, te weten de maatschappelijke achteruitgang door werkloosheid en relatieproblemen."
2.11.4 Vervolgens beoordeelt het Hof het verweer van Turien dat privé-moeilijkheden van [eiser] een rol kunnen hebben gespeeld:
"(...) De mogelijkheid dat de klachten (mede) het gevolg zijn van andere factoren dan het ongeval, is evenwel onvoldoende om het veronderstelde causaal verband te doorbreken. Bewijs voor het verband tussen die klachten en andere factoren - wat Turien op dit punt heeft te leveren - is in de voorhanden medische gegevens niet te vinden. Turien heeft op dat punt ook geen (nader) bewijs aangeboden. Dat betekent dat uitgangspunt blijft dat de klachten het gevolg zijn van het ongeval. Het hof overweegt voorts dat als het in de normale lijn van de verwachtingen liggende herstel van de klachten uitblijft, als gevolg van de persoonlijkheidsstructuur van [eiser] of van moeilijkheden in diens privéleven of anderszins, het uitblijven van herstel niettemin als gevolg van het ongeval aan Turien moet worden toegerekend. Dat zou slechts anders kunnen zijn onder bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld indien [eiser] zich onvoldoende inspant om een bijdrage te leveren aan het herstelproces. Feiten of omstandigheden waaruit volgt dat dergelijke bijzondere omstandigheden zich hier voordoen, zijn evenwel niet of niet voldoende gebleken" (rov. 4.13).
2.11.5 Het Hof rondt op dit punt af met het oordeel dat Turien aansprakelijk is voor de schade die samenhangt met de bij [eiser] bestaande gezondheidsklachten, te weten de vraag of en (zo ja) in hoeverre hij daardoor arbeidsongeschikt is geworden en of hij dientengevolge zijn baan heeft verloren (rov. 4.14).
2.11.6 Met betrekking tot de omvang van de schade sluit het Hof aan bij de - ten dele door het Hof geciteerde - rapportage van [betrokkene 1]. Het Hof voegt daaraan toe:
"(...) Wel wordt in aanmerking genomen dat de deskundige het percentage blijvende functionele invaliditeit heeft bepaald op grond van de klachten, zoals die zich in de periode van oktober tot in december 1992 hebben voorgedaan. Die vaststelling verdraagt zich niet met hetgeen hiervoor omtrent het causaal verband is aangenomen. Uit het rapport van de deskundige blijkt echter dat het percentage niet hoger dan vijf zal zijn. Feiten of omstandigheden waaruit volgt dat het voor het onderhavige geschil een relevant verschil maakt of van een percentage van twee of ten hoogste vijf wordt uitgegaan, zijn niet of niet voldoende gesteld of gebleken" (rov. 4.16).
2.11.7 Ten aanzien van het door de deskundigen opgestelde belastbaarheidsprofiel, waarop de arbeidsdeskundige zich heeft gebaseerd, overweegt het Hof in rov. 4.18 onder meer:
"Bij het opstellen van het belastbaarheidsprofiel van 25 mei 2000 zijn blijkens het rapport van 10 augustus 2000 enkel de klachten die als direct ongevalsgevolg zijn aan te merken tot uitgangspunt genomen, en is daarvoor aangeknoopt bij de klachten die bestonden in de periode van het ongeval tot 23 december 1992, de dag dat [eiser] zich - na een functioneringsgesprek - bij zijn werkgever heeft ziek gemeld. Dat is, zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen, geen juist uitgangspunt.
4.19 Het belastbaarheidsprofiel van 16 maart 1999, uit het eerste rapport, is gebaseerd op de klachten en beperkingen, zoals de deskundige [betrokkene 1] die bij zijn onderzoek van [eiser] heeft aangetroffen en in zijn rapport heeft beschreven. Dat acht het hof juist. [Eiser] heeft bij diverse gelegenheden aangevoerd dat het belastbaarheidsprofiel onvoldoende rekening houdt met zijn beperkingen. Die kritiek wordt verworpen. Het belastbaarheidsprofiel is opgesteld nadat terzake informatie was verkregen van de deskundige [betrokkene 1]. Voor zover [eiser] heeft willen betogen dat het door de verzekeringsgeneeskundige [betrokkene 4] opgestelde belastbaarheidprofiel wezenlijk verschilt van dat van [betrokkene 1], met name wat betreft het gebogen werken, het kort cyclisch buigen en torderen en het gebruik van de nek, wordt overwogen dat onvoldoende is gesteld of gebleken om aan te nemen dat [betrokkene 4] - die deskundig is in het opstellen van belastbaarheidsprofielen, anders dan [betrokkene 1] - de bevindingen van [betrokkene 1] op deze punten een onjuiste vertaling in termen van het belastbaarheidsprofiel heeft gegeven. Bovendien komt het door [betrokkene 4] opgestelde belastbaarheidsprofiel op deze punten nagenoeg overeen met het door Gak Nederland B.V. opgestelde belastbaarheidsprofiel van 8 februari 2000, waarop [eiser] zelf zich ter ondersteuning van zijn stellingen heeft beroepen. Enig verschil is er ten aanzien van het kort cyclisch buigen en torderen, doch uit de in het rapport van [betrokkene 3] opgenomen verwoordingen fucntiebelasting blijkt dat dit verschil niet van belang is voor de geduide functies.(6) Voor het overige geldt dat hoe [eiser] zelf zijn beperkingen ziet, van onvoldoende gewicht is om gerede twijfel te doen ontstaan aan het deskundig oordeel. Dat Gak Nederland B.V. in het kader van de uitvoering van de arbeidsongschiktheidswetgeving tot andere conclusies ten aanzien van arbeidsongeschiktheid is gekomen dan de deskundigen in deze zaak, leidt niet tot een ander oordeel. Immers, anders dan bij de beoordeling door Gak Nederland B.V. zijn bij de opstelling van het belastbaarheidsprofiel in dit geding de bevindingen van de deskundige [betrokkene 1] het uitgangspunt, terwijl voorts in dit geding niet de systematiek van de arbeidsongeschiktheidswetgeving wordt gevolgd."
2.11.8 In rov. 4.21 - 4.25 gaat het Hof nader in op de hoogte van [eiser]s inkomensschade. Het Hof bekeert zich op dat punt tot het oordeel van de Rechtbank.
2.11.9 Ten aanzien van de immateriële schade overweegt het Hof in rov. 4.26 dat:
"(...)moet worden uitgegaan van de klachten, zoals de deskundige [betrokkene 1] die heeft beschreven. Het hof ziet in wat op dat punt verder is gesteld of gebleken onvoldoende grond om een hoger smartengeld aangewezen te achten dan de rechtbank heeft gedaan."
2.12 [Eiser] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Turien heeft verweer gevoerd; zij heeft tevens voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
3. Inleidende opmerkingen
3.1 Deze zaak heeft betrekking op een ongeval dat ruim 11 jaar geleden plaatsvond. De procedure - waarin de Rechtbank zeer zorgvuldig tewerk is gegaan(7) - sleept thans ruim acht jaar.
3.2 De inzet van deze procedure is [eiser]s (vooral inkomens-) schade als gevolg van een auto-ongeval. Dit soort schades is zelden gemakkelijk te berekenen. De rechter moet zich veelvuldig laten voorlichten door medische en andere deskundigen wier oordeel hij, bij gebreke van medische scholing, doorgaans slechts op begrijpelijkheid, consistentie en overtuigingskracht kan beoordelen. Dat bergt een risico op fouten in zich; dat is - helaas - onvermijdelijk.
3.3 [Eiser] heeft er - kort en zakelijk weergegeven - zijn nood over geklaagd dat Turien - naar hij stelt overeenkomstig de vaste praktijk in dit soort zaken - ieder detail, ook uit zijn persoonlijk leven, uitvergroot.(8) Zijn onvrede op dat punt valt te begrijpen. Het is evenwel de vraag of zulks, bij de huidige stand van het recht, kan worden tegengegaan. Voor zover die mogelijkheden zouden bestaan, kan de rechter deze m.i. niet ambtshalve benutten.
4. Bespreking van de middelen in het principale beroep
4.1.1 Het eerste middel zet de aanval in op rov. 4.16. Het strekt, naar de kern genomen, ten betoge dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat het niet uitmaakt of van 2% of van (ik voeg toe: ten hoogste) 5% functionele invaliditeit wordt ingegaan en dat niet voldoende is gesteld of gebleken om ervan uit te gaan dat zulks wel uitmaakt.
4.1.2 Volgens de onderdelen 1 en 2 bevat het rapport van [betrokkene 1] gegevens waaruit de onjuistheid van 's Hofs aanname blijkt. Onderdeel 4 voert aan dat uit de toelichting op de grieven IV en V blijkt dat [eiser] wel degelijk heeft gesteld dat het uitmaakt of van 2 dan wel (hooguit) 5% wordt uitgegaan.
4.1.3 Het middel behelst niet (laat staan met zoveel woorden) de klacht dat 's Hofs gedachtegang sowieso onbegrijpelijk is omdat voor zich spreekt dat het uitmaakt of men van 2 dan wel van 5% uitgaat. En dat het, gezien deze evidentie, niet nodig was dat een en ander uitdrukkelijk was gesteld of gebleken. Een dergelijke klacht ligt wel besloten in de s.t. van mr Van der Niet onder 11.(9) Een s.t. is evenwel - zoals de benaming al aangeeft - bestemd ter toelichting van klachten. Daarin kunnen geen nieuwe klachten worden geformuleerd. Al helemaal niet wanneer deze niet ten minste in rudimentaire vorm in het middel zijn te lezen.
4.2.1 's Hofs oordeel, dat ten dele berust op een aan het Hof voorbehouden interpretatie van het deskundigenrapport van [betrokkene 1], zal m.i. als volgt moeten worden begrepen. In het ernstigste geval leiden whiplashklachten tot 5% functionele invaliditeit.(10) De klachten van [eiser] behoren, volgens [betrokkene 1], allerminst tot de ernstigste categorie. Daarom moet in [eiser]s geval van 2% worden uitgegaan. Naar 's Hofs in cassatie niet bestreden oordeel gaat om de vraag of [eiser] ten gevolge van het ongeval arbeidsongeschikt is geworden en of hij daardoor zijn baan heeft verloren; zie onder 2.11.5. In dat kader acht het Hof zonder gewicht of de functionele invaliditeit 2% of (maximaal) 5% is, klaarblijkelijk omdat de invloed van functionele invaliditeit binnen deze bandbreedte op (het niet meer kunnen uitoefenen van) de rechtens relevante baan hetzelfde is.
4.2.2 Het Hof heeft bij dit alles onderkend dat, volgens [eiser], sprake is van een verergering van de klachten gerelateerd aan die waarop [betrokkene 1] zijn oordeel baseert (rov. 4.16).
4.3.1 De passages uit de rapportage van [betrokkene 1] waarop de onderdelen 1 en 2 beroep doen, werpen geen licht op de vraag of het voor de zojuist genoemde - hier beslissende - vragen uitmaakt of de functionaliteit 2% dan wel (hoogstens) 5% is.
4.3.2 Het enkele feit dat de klachten verergeren, brengt niet zonder meer mee dat de sprake is van een hogere disfunctionaliteit.
4.3.3 Daarbij verdient nog opmerking dat [betrokkene 1] in zijn rapport heeft aangenomen dat de latere klachten - waarvan geen aanwijsbare oorzaak kon worden vastgesteld(11) - ten minste voor een deel geen verband houden met het ongeval (blz. 11 en 12).
4.4.1 Geheel dwingend is de hiervoor onder 4.3.2 ontwikkelde redenering niet. De beschouwingen van [betrokkene 1] waarin - geparafraseerd weergegeven - de latere klachten van onvoldoende gewicht worden geacht voor beantwoording van de hem voorgelegde vragen, zou men met enige goede wil inderdaad aldus kúnnen begrijpen dat van een hogere functionele invaliditeit zou moeten worden uitgegaan wanneer zij daadwerkelijk vaststonden én konden worden aangemerkt als ongevalsgevolg. Ware dat anders dan had ZHG immers kunnen volstaan met de opmerking dat deze latere klachten hoe dan ook niet zouden kunnen leiden tot een hoger percentage functionele invaliditeit.
4.4.2 De richtlijnen(12) waarop [betrokkene 1] beroep doet en die aan zijn rapport zijn gehecht maken duidelijk - hetgeen ook voor de hand ligt - dat
"(d)e mate van invaliditeit (0% - 5%) wordt bepaald door de ernst van de pijn (...)".
Dit rapport zou derhalve steun bieden voor de door de onderdelen ontwikkelde klacht. Zij doen op deze - tot de processtukken behorende - richtlijnen evenwel geen beroep.
4.5 In de toelichting op de grieven IV en V zet [eiser] uitvoerig uiteen dat ten onrechte is uitgegaan van 2% omdat de klachten later erger zijn geworden.(13) Er wordt voorts op gewezen dat [eiser] niet in staat was te werken.(14)
4.6 Deze stellingen kán men aldus verstaan dat het, volgens [eiser], uitmaakt of van 2% of van 5% wordt uitgegaan. Onbevangen lezing geeft veeleer aan dat [eiser] wil betogen dat sprake is van een aanzienlijk hoger percentage functionele invaliditeit dan 5%. Het ligt trouwens weinig voor de hand dat [eiser] heeft geanticipeerd op het tamelijk verrassende oordeel van het Hof dat het niet uitmaakt dan wel van 2% of van (hooguit) 5% wordt uitgegaan.
4.7 Slechts met veel goede wil kan, zo blijkt uit het voorafgaande,(15) in het middel een klacht worden gelezen die hout snijdt. Nu 's Hofs oordeel niet alleen tamelijk verrassend, maar qua uitkomst m.i. hoogst onbevredigend is, zou ik mij tot een dergelijke lezing willen bekeren wanneer zij [eiser] zou kunnen baten.
4.8 In haar s.t. onder 29 en 40 betoogt Mr Van der Woude, naar ik begrijp, dat het Hof in rov. 4.19 uitgaat van 2%(16) en niet van (de mogelijkheid van) een hoger pecentage. Hoewel 's Hofs arrest ook in dat opzicht onduidelijk is, meen ik dat zij daarin gelijk heeft. Ik schort mijn eindoordeel over middel I daarom op totdat de klachten van middel II, waarin onder meer rov. 4.19 onder vuur wordt genomen, zijn besproken.
4.9 Het tweede middel klaagt over de rov. 4.17 en 4.19.
4.10 Het eerste onderdeel strekt ten betoge dat het Hof in rov. 4.19 vaststelt dat het belastbaarheidsprofiel is opgesteld nadat informatie was verkregen van [betrokkene 1]. Het Hof zou er "evenwel" aan voorbij zien dat "het belastbaarheidsprofiel" is opgesteld op basis van 2 % invaliditeit, terwijl het Hof eerder heeft overwogen dat uitgegaan dient te worden van de bestaande ernstige klachten.
4.11 Juist is 's Hofs oordeel dat informatie bij [betrokkene 1] is ingewonnen. Voor zover de klacht dit bedoelt te bestrijden, faalt zij.
4.12 Waarover het onderdeel (verder (?)) bedoelt te klagen, is mij niet duidelijk geworden. In de eerste plaats blijkt uit het rapport van [betrokkene 1] dat [eiser] meer klachten heeft dan ZHG als ongevalsgevolg heeft aangemerkt. De andere (latere) klachten worden in zijn rapport wél vermeld. Bovendien heeft het Hof zich in dit opzicht tot de stellingen van [eiser] bekeerd. Immers neemt het Hof, anders dan [betrokkene 1], aan dat alle klachten ongevalsgevolg zijn.(17)
4.13 Het tweede onderdeel stelt dat het volgens rov. 4.19 niet uitmaakt of bij het opstellen van het belastbaarheidsprofiel dient te worden uitgegaan van lichte of ernstige ongevalsgevolgen.
4.14 Het onderdeel behelst geen (begrijpelijke) klacht. Het mist bovendien feitelijke grondslag. Het Hof spreekt niet van lichte of ernstige gevolgen.
4.15 Het derde onderdeel voert aan dat het Hof ten onrechte heeft overwogen dat het belastbaarheidsprofiel van GAK Nederland B.V. niet wezenlijk verschilt van het door [betrokkene 3] opgestelde belastbaarheidsprofiel. Ter onderbouwing van deze klacht stelt [eiser] dat in het belastbaarheidsprofiel van het GAK wordt aangenomen dat [eiser] algemeen gangbare arbeid gedurende 4 uur per dag kan verrichten, terwijl het belastbaarheidsprofiel van [betrokkene 3] niet van een dergelijke beperking uitgaat. Bovendien noemt het GAK de verminderde psychische belastbaarheid "in hoge mate beperkt". De klacht vervolgt dan:
"[Betrokkene 3] verwijst daarentegen naar het rapport van [betrokkene 1]. [Betrokkene 1] gaat ten onrechte uit van een veronderstelde invaliditeit van 2% d.i. lichte invaliditeit, terwijl er sprake is van een ernstige invaliditeit. [betrokkene 3] komt op grond van dit uitgangspunt van [betrokkene 1] tot de conclusie dat er van psychische beperkingen geen sprake is."
4.16 M.i. mist deze klacht feitelijke grondslag. Het Hof heeft niet overwogen dat het belastbaarheidsprofiel van het GAK niet wezenlijk verschilt van het door [betrokkene 3] opgestelde belastbaarheidsprofiel. Het Hof overweegt:
"Voor zover [eiser] heeft willen betogen dat het door de verzekeringsgeneeskundige [betrokkene 4] opgestelde belastbaarheidsprofiel wezenlijk verschilt van dat van [betrokkene 1], met name wat betreft het gebogen werken, het kort cyclisch buigen en torderen en het gebruik van de nek, wordt overwogen dat onvoldoende is gesteld of gebleken om aan te nemen dat [betrokkene 4] (...) de bevindingen van [betrokkene 1] op deze punten een onjuiste vertaling in termen van het belastingsprofiel heeft gegeven. Bovendien komt het door [betrokkene 4] opgestelde belastbaarheidsprofiel op deze punten nagenoeg overeen met het door Gak Nederland B.V. opgestelde" (cursiveringen toegevoegd).
4.17 Het vierde onderdeel klaagt erover dat de - veronderstelde - overweging van het Hof over het belastbaarheidsprofiel feitelijk onjuist en onvoldoende gemotiveerd is. Immers kan een geringe invaliditeit niet tot dezelfde beperkingen leiden als ernstige invaliditeit.
4.18 Deze klacht komt, naar valt aan te nemen, op tegen rov. 4.17 of 4.19. Zij mist feitelijke grondslag nu het Hof daarin iets dergelijks niet heeft overwogen.
4.19 Onderdeel 5 mist eveneens feitelijke grondslag. In rov. 4.19 komt het Hof klaarblijkelijk tot het oordeel dat sprake is van een functionele invaliditeit van 2% op grond van de daarin vermelde bevindingen van de deskundigen. Dat oordeel is weliswaar niet begrijpelijk, maar daarover wordt niet geklaagd.
4.20 Onderdeel 6 acht onbegrijpelijk dat onvoldoende zou zijn gesteld of gebleken dat [betrokkene 4] de bevindingen van [betrokkene 1] onjuist heeft "vertaald". In dat verband wordt er op gewezen dat het Hof causaal verband aanneemt met "de bestaande klachten". Vervolgens zou het Hof, nog steeds volgens de klacht, hebben overwogen
"dat bij de opstelling van het belastbaarheidsprofiel van [eiser] de bevindingen van de deskundige [betrokkene 1] t.w. 2% i.p.v. 5% d.i. lichte of ernstige invaliditeit als uitgangspunt moet worden genomen."
4.21 Een oordeel als verwoord in het citaat kan ik noch in rov. 4.17, noch ook in rov. 4.19 terugvinden. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag.
4.22 De verzekeringsarts [betrokkene 4] schrijft dat en waarom [betrokkene 1] uitgaat van de periode gelegen tussen de datum van het ongeval en 23 december 1992. Het onderdeel geeft niet aan waarom die samenvatting (door het Hof vertaling genoemd) onjuist zou zijn.(18) Het voldoet daarmee niet aan de eisen van art. 407 lid 2 RvPro.
4.23 Mogelijk bedoelt het onderdeel een andere klacht te vertolken. En wel dat ten onrechte en in stijd met 's Hofs elders ontwikkelde gedachtegang is uitgegaan van de klachten die bestonden in de onder 4.22 genoemde periode. Turien heeft deze klacht klaarblijkelijk niet in het onderdeel gelezen. Dat is m.i. te begrijpen; ook ik kan haar daaruit niet destilleren. Op mogelijke bedoelingen komt het rechtens niet aan. Maar wellicht - ik zou dat geenszins betreuren - ziet Uw Raad daartoe wel mogelijkheden om deze mogelijke bedoeling "in te lezen".
4.24 Onderdeel 7 bevat geen afzonderlijke klacht en moet daarom in het lot van zijn voorgangers delen.
4.25 Nu alle klachten van het tweede middel m.i. falen, geldt m.i. hetzelfde voor het eerste middel. Welwillende lezing als hiervoor onder 4.4.1, 4.6 en 4.7 bedoeld, zou [eiser] immers niet kunnen baten nu rov. 4.19 tevergeefs wordt bestreden.
4.26 Volledigheidshalve stip ik nog het volgende aan. Rode draad van de klachten is, als ik het goed zie, dat het percentage functionele invaliditeit overeenkomt met het percentage (functionele) arbeidsongeschiktheid. Daarop valt wel wat af te dingen.
4.27 Functionele invaliditeit ziet niet alleen op de vraag of betrokkene (zijn) arbeid kan verrichten. Het heeft tevens betrekking op andere functies zoals vrije tijdsbesteding, sociale interacties. Daarmee valt zij niet (per se) samen met de invaliditeit die inzet is van de vordering wegens inkomensschade.(19)
4.28 Rov. 4.20 - 4.25 zijn in cassatie niet bestreden.
4.29 Het derde middel komt op tegen rov. 4.26. Het betoogt dat het Hof niet duidelijk maakt van welke klachten het is uitgegaan bij de bepaling van het smartengeld. Onduidelijk is of het Hof is uitgegaan van "de bestaande klachten welke tot arbeidsongeschiktheid van [eiser] hebben geleid dan wel de veronderstelde gevolgen van het ongeval op grond waarvan de deskundige [betrokkene 1] tot de conclusie komt dat er sprake is van 2 % invaliditeit." Deze klacht is aldus toegelicht dat het Hof had moeten uitgaan van 5% invaliditeit van de gehele mens (s.t. mr Van der Niet onder 21).
4.30 De steller van het middel kan worden toegegeven dat rov. 4.26 voor tweeërlei uitleg vatbaar is. Het Hof kan het oog hebben gehad op alle klachten die [betrokkene 1] heeft genoemd (de aanvankelijke én de latere); ook is denkbaar dat het Hof slechts het oog heeft gehad op de klachten waarop [betrokkene 1] zijn oordeel grondt dat sprake is van 2% functionele invaliditeit.
4.31 Het Hof heeft zich in rov. 4.26 in fine aangesloten bij het oordeel van de Rechtbank. Uit rov. 10 en 13 van haar eindvonnis valt m.i. op te maken dat zij, in het voetspoor van [betrokkene 1], slechts de aanvankelijk bestaande klachten, die hij toeschrijft aan het ongeval, heeft verdisconteerd. Klaarblijkelijk heeft de Rechtbank de hoogte van het smartengeld uitsluitend daarop gebaseerd, zo begrijp ik rov. 15. Tegen deze achtergrond bezien is de meest plausible lezing van 's Hofs rov. 4.26 die welke door het middel wordt bestreden. Dat brengt mee dat deze klacht slaagt.
4.32 Volledigheidshalve zij nog vermeld dat bij de begroting van de hoogte van de immateriële schade rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden.(20)
4.33 De Rechtbank en in haar voetspoor het Hof heeft ter zake van immateriële schade een bedrag van f 7.000 toegewezen; zie onder 2.7.3. Na vermindering van eis heeft [eiser] ter zake f 17.500 gevorderd; zie onder 2.1.
4.34 Begroting van de hoogte van het smartengeld is in hoogst overwegende mate een feitelijke kwestie.(21) In het licht van het debat in feitelijke aanleg moet de kans dat partijen na verwijzing op dit punt tot een schikking kunnen komen m.i. niet hoog worden aangeslagen. Het verschil gelegen tussen de gevorderde f 17.500 en de toegewezen f 7.000 loont nauwelijks doorprocederen waartoe [eiser], naar ik vrees, wel veroordeeld wordt, zelfs als Uw Raad het bestreden arrest uitsluitend op dit punt zou vernietigen.
4.35 Uit overwegingen van proceseconomie, ter ontlasting van het rechterlijk apparaat en in de geest van art. 6 EVRMPro zou ik er een lans voor willen breken dat Uw Raad in casu zelf het bedrag ter zake van immateriële schadevergoeding vaststelt.
4.36 Gezien de aard, de ernst en de duur van de klachten die het Hof blijkens het voorafgaande als ongevalsgevolg aanmerkt en mede gelet op de leeftijd van [eiser] ten tijde van het ongeval (42 jaar)(22) komt het gevorderde bedrag van f 17.500 mij alleszins redelijk voor.
5. Bespreking van het voorwaardelijk incidentele middel
5.1 Nu het principale middel n.m.m. - ten dele - slaagt, is de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld vervuld.
5.2 Het eerste onderdeel kant zich tegen de toepassing door het Hof van de omkeringsregel in rov. 4.11. Het strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte de omkeringsregel heeft toegepast waar het de omvang van de schade betreft.
5.3 Het tweede onderdeel richt zich tegen rov. 4.12 en 4.13. Volgens de klacht heeft het Hof miskend dat het hier gaat om tegenbewijs. Dat brengt mee dat voldoende is dat Turien aannemelijk heeft gemaakt dat "de bedoelde klachten van [eiser]" ook zonder de verkeersfout zouden zijn gemaakt.
5.4 Volgens de s.t. van mr Van der Woude heeft het Hof in rov. 4.11 "een variant op de 'omkeringsregel' toegepast" (onder 43).
5.5 Ik stel voorop dat het middel niet de vraag aan de orde stelt of de zogenaamde omkeringsregel van stal kan worden gehaald in gevallen als de onderhavige, louter en alleen waar het betreft het condicio sine qua non-verband. Op die vraag ga ik dan ook niet in.(23)
5.6 Het uitgangspunt van de klacht is juist. De zogenaamde omkeringsregel, indien van toepassing, heeft (in beginsel) alleen betrekking op het condicio sine qua non-verband en niet op de omvang van de schade.(24)
5.7 Met de geëerde steller van het middel meen ik dat het Hof zich niet bijzonder helder heeft uitgedrukt. Het heeft in rov. 4.11 geen toepassing gegeven aan de omkeringsregel zoals door Uw Raad in een lange reeks arresten ontwikkeld. Vermoedelijk is in casu inderdaad sprake van een locale variant.
5.8 Heeft het Hof deze regel dan eveneens toegepast op de omvang van de schade? M.i. kan men daarover in gemoede twijfelen. Zoals hierna zal blijken, beantwoord ik de vraag uiteindelijk ontkennend.
5.9 Juist is dat rov. 4.11 lijkt aan te geven dat de regel niet alleen ziet op het condicio sine qua non-verband maar tevens op de omvang van de schade. Daarop wijst heel in het bijzonder "het causaal verband tussen het ongeval en de klachten van [eiser] - en de daaruit voortvloeiende schade".
5.10 M.i. valt uit het arrest, in zijn geheel gelezen, af te leiden dat het Hof van oordeel is dat de gestelde schadeposten waarvan het - heel zuinig - is uitgegaan voorshands aannemelijk zijn geworden.
5.11 Daarop wijst al aanstonds rov. 4.15. Daarin maakt het Hof - zonder dat het deze juridische kwalificatie bezigt - onderscheid tussen het condicio sine qua non-verband en de omvang van de schade. Het Hof onderkent - terecht - dat de stelplicht en bewijslast van de omvang van de schade op [eiser] rust.
5.12 In de daarop volgende rechtsoverwegingen 4.16 - 4.19 geeft het Hof aan dat en waarom het voorshands aannemelijk acht dat de schadeposten en -factoren waarvan het uitgaat in hoge mate aannemelijk zijn geworden. Het Hof beroept zich daartoe op en citeert uit rapporten van deskundigen.
5.13 Mitsdien is, al met al, m.i. voldoende duidelijk dat het Hof heeft onderkend dat de omkeringsregel niet ziet op de omvang van de schade. Dat brengt mee dat rov. 4.11 ongelukkig is geformuleerd. Verderop heeft het Hof zich wel duidelijk en juist uitgedrukt. Daarmee komt aan rov. 4.11 geen betekenis meer toe.
5.14 Onderdeel 1 houd ik derhalve voor ongegrond, zelfs wanneer wordt uitgegaan voor de voor Turien gunstigste - onder 5.8 genoemde - lezing van rov. 4.11.
5.15 Het voorafgaande werkt door naar het tweede onderdeel. Uit het voorafgaande vloeit voort dat rov. 4.12 betekenis mist dan wel - hetgeen op hetzelfde neerkomt - dat het Hof later heeft onderkend dat het in rov. 4.12 en 4.13 bedoelde tegenbewijs slechts betrekking heeft op het condicio sine qua non-verband. Arresten - en zeker onduidelijke arresten - moet men (nu eenmaal) integraal bezien.
5.16 Uit rov. 4.20 e.v. valt m.i. af te leiden dat het Hof niet is uitgegaan van een onjuiste maatstaf.
5.17 Voor zover het onderdeel het Hof nog verwijt dat het spreekt van "tegenbewijs" waar "aannemelijk maken" voldoende is, wordt uit het oog verloren dat in situaties waarin de omkeringsregel wordt toegepast of waarin bewijs voorshands geleverd wordt geacht veelal wordt gesproken van "tegenbewijs". In de bewoordingen van Uw Raad is daarvoor voldoende aannemelijk maken.(25) Het Hof kan bezwaarlijk worden verweten dat het een gebruikelijke formulering bezigt. Dat het daaraan een onjuiste invulling heeft gegeven, blijkt m.i. niet uit het arrest, indien men dat in zijn geheel leest.
5.18 Ook deze klacht acht ik derhalve ongegrond.
5.19 Ik veroorloof mij nog de kanttekening dat áls het Hof een verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van (de begroting van) de omvang van de schade Turien m.i. niet de meest aangewezen partij zich daarover te beklagen. In rov. 4.19 e.v. is het Hof in mijn ogen weinig royaal geweest. Dat blijkt ook uit het bedrag dat uiteindelijk moet worden betaald ter zake van - naar het Hof heeft aangenomen - blijvend letsel en blijvende kwalen van relevant meer dan verwaarloosbare omvang die allicht ten minste enige invloed hebben op de verdiencapaciteit van [eiser].
6. De proceskosten
6.1 Het Hof heeft, in cassatie niet bestreden, geoordeeld dat partijen in prima over en weer ten dele in het ongelijk zijn gesteld doordien de kosten in die instantie worden gecompenseerd (rov. 4.27).
6.2 Wanneer Uw Raad deze conclusie zou volgen dan blijft het onder 6.2 gestelde overeind. Daarbij valt te bedenken dat de smartengeldcomponent een klein deel van de vordering beslaat. Er bestaat daarom m.i. geen grond om te komen tot een andere proceskostenveroordeling in feitelijke aanleg.
6.3 In cassatie is het m.i. in beginsel gebruikelijk om de verliezende partij in de kosten van de wederpartij te verwijzen op de enkele grond dat verweer wordt gevoerd.(26) Daarbij pleegt noch de inhoud, noch ook de omvang van het verweer enig gewicht in de schaal te leggen. De reden daarvan zal ongetwijfeld vooral zijn dat niet valt te beoordelen hoeveel tijd een cassatieadvocaat bezig is geweest met bestudering van de klachten en de weerlegging daarvan. Bestudering kan veel tijd vergen die uiteindelijk leidt tot een zeer beknopt en adequaat verweer.
Conclusie
Deze conclusie strekt:
in het principale beroep
tot vernietiging van het bestreden arrest en van het eindvonnis van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover is toegewezen een hoofdsom van f 20.140,92;
tot veroordeling van Turien tot betaling van een hoofdsom van € 13.904,24 (= f 30.640,92) met de wettelijke rente daarover vanaf 27 oktober 1992 tot aan de dag der algehele voldoening;
verwerping van het principale beroep voor het overige;
in het incidentele beroep
tot verwerping;
in zowel het principale als het incidentele beroep
tot veroordeling van Turien in de kosten van de procedure in cassatie.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
1 Een v.o.f. kan in rechte worden betrokken. Zie Asser-Maeijer V nr 13.
2 De wijziging houdt verband met de omstandigheid dat, anders dan aanvankelijk werd aangenomen, de WAO-uitkering ná 8 augustus 1998 is voortgezet.
3 Tegen de beschikking is geen grief gericht.
4 Mvg onder 6.8.
5 Mvg onder 7.5 - 7.9.
6 Het citaat is juist.
7 Wat er ook zij van de door haar bereikte uitkomst.
8 Zie met name mvg onder 4.1.5 en 4.1.6.
9 Wellicht bedoelt onderdeel 3 deze klacht te vertolken. Maar daaraan moet voorbij worden gegaan omdat deze berust op citaten die berusten op een verkeerde lezing van het rapport van [betrokkene 1]; zie s.t. Mr Van der Woude onder 30.
10 Voor een leek is dat een niet terstond voor de hand liggend oordeel. In cassatie zal er evenwel van moeten worden uitgegaan. De inzichten zijn inmiddels in die zin gewijzigd dat thans niet van maximaal 5% maar van maximaal 8% wordt uitgegaan: Nieuwsbrief Personenschade, oktober 2002 blz. 3; Handboek personenschade 5170, 11-12.
11 Hetgeen karakteristiek is voor postwhipslashklachten; zie de aan het rapport van [betrokkene 1] gehechte richtlijnen blz. 27.
12 Vooral blz. 27.
13 Met name onder 7.3 en 8.1.2.
14 Met name onder 7.3 - 7.11, 8.1.2 en 8.1.4 onder g.
15 Zie met name onder 4.4.1 en 4.6.
16 Blijkbaar houdt het Hof in rov. 4.19 niet langer rekening met de mogelijkheid dat ook sprake kan zijn van een percentage gelegen tussen 2 en 5.
17 Rov. 4.12, 4.13, 4.16 en 4.18 in onderlinge samenhang gelezen.
18 De "vertaling" is m.i. feitelijk volkomen juist.
19 Zie, ook voor verdere vindplaatsen, H.A. Storm e.a., in J.M. Barendrecht c.s., Berekening van schadevergoeding (1995) blz. 283 e.v.; H.A. Bouman en G.M. Tilanus-van Wassenaer, mon. Nieuw BW 37 blz. 46/7.
22 Ik ontleen dit aan het rapport van [betrokkene 1].
23 Zie, ook voor verdere vindplaatsen, M.S.A. Vegter, TVP 2004 blz. 5 e.v. en A.J. Akkermans, De omkeringsregel bij het bewijs van causaal verband blz. 142; in mijn conclusie voor HR 9 april 2004, RvdW 2004, 60 onder 3.10.2 en voetnoot 26 heb ik deze kwestie goeddeels in het midden gelaten.
24 O.m. HR 29 november 2002, RvdW 2002, 190 rov. 3.5.3 en 191 rov. 3.6.