ECLI:NL:PHR:2004:AP8419

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02964/03
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 68 SvArt. 313 SvArt. 328ter SrArt. 365a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering taakstraf wegens overschrijding redelijke termijn in clickfondszaak met bewezen belangenverstrengeling en deelname criminele organisatie

In deze clickfondszaak werd verdachte veroordeeld voor het aannemen van giften in strijd met de goede trouw, het doen van onjuiste belastingaangiften en deelname aan een criminele organisatie met het oogmerk omkoping. Het hof stelde vast dat verdachte als beleggingsadviseur bij Stichting [G] geldbedragen ontving naar aanleiding van verstrekte adviezen en inlichtingen over effectentransacties, en deze betalingen verzweeg tegenover zijn werkgever.

Daarnaast werd bewezen verklaard dat verdachte deelnam aan een organisatie die zich bezighield met misdrijven zoals valsheid in geschrift, oplichting, omkoping en heling. De organisatie bestond uit meerdere personen en rechtspersonen, waaronder [A] Ltd en andere verbonden entiteiten, met wie verdachte nauwe contacten onderhield.

De verdediging voerde aan dat de betalingen deel uitmaakten van een beleggingsclubje, maar het hof achtte dit onaannemelijk gezien het ontbreken van bewijs voor daadwerkelijke beleggingen en het feit dat verdachte geen risico droeg. De Hoge Raad oordeelde dat de overschrijding van de redelijke termijn in cassatiefase aanleiding gaf tot strafvermindering, waarbij de opgelegde taakstraf werd verminderd van 240 naar 235 uren.

De Hoge Raad verwierp verder de klachten over de wijziging van de tenlastelegging en de bewezenverklaring, en bevestigde dat de gedragingen binnen dezelfde feitelijke samenhang vielen. De zaak illustreert de toepassing van het beginsel van redelijke termijn en de beoordeling van belangenverstrengeling en deelname aan een criminele organisatie in het strafrecht.

Uitkomst: Taakstraf verminderd van 240 naar 235 uren wegens overschrijding redelijke termijn in cassatiefase.

Conclusie

Griffienr. 02964/03
Mr. Wortel
Zitting:6 juli 2004
Aanvullende conclusie inzake:
[verdachte]
1. In mijn ter zitting van 29 juni 2004 genomen conclusie merkte ik op dat een aanvullende schriftuur, houdende een zelfstandige cassatieklacht, buiten de in art. 437, tweede lid, Sv gestelde termijn is binnengekomen. De steller van het middel wees mij er op dat de schriftuur op de laatste dag van die termijn per fax is verzonden. Ik heb het uitgezocht: de aanvullende schriftuur is op de laatste dag van de termijn, maandag 15 maart jongstleden, om 22.38 uur, per fax binnengekomen. Dat is tijdig, gelet op HR 23 mei 2000, LJN AA5880. Per abuis is de schriftuur hier aangemerkt als op de volgende dag ontvangen.
Ik bespreek derhalve alsnog het in de aanvullende schriftuur voorgestelde middel.
2. Daarin wordt geklaagd over het toelaten van een in hoger beroep gevorderde wijziging van de tenlastelegging.
3. Die vordering is gedaan ter terechtzitting van 14 februari 2003. Blijkens het van die terechtzitting opgemaakte proces-verbaal heeft de raadsman zich tegen het toelaten van de gevorderde wijziging verzet, stellende
"dat de vordering in strijd is met de beginselen van een goede procesorde, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel en dat de vordering in strijd met artikel 313 van Pro het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 68 van Pro het Wetboek van Strafrecht is. Hij wijst daarbij op een brief van de vorige raadsman van verdachte, mr. Verbunt, aan de toenmalige officier van justitie, gedateerd 11 december 2000, alsmede op de appelmemorie en het proces-verbaal van de zitting van 14 januari 2003. Hij betoogt dat het openbaar ministerie geen belang heeft bij de gevorderde wijziging tenlastelegging".
4. In het proces-verbaal van deze terechtzitting is voorts vermeld dat het Hof de vordering - na beraad - heeft toegewezen, en daartoe heeft overwogen:
"dat weliswaar de regiezitting bedoeld was om alle wijzigingen van de tenlastelegging aan te kondigen, maar dat de wet slechts twee voorwaarden aan zodanige vorderingen stelt, te weten dat het moet gaan om hetzelfde feit in de zin van artikel 68 van Pro het Wetboek van Strafvordering en dat de verdediging voldoende mogelijkheid tot verweer behoudt. Aan beide voorwaarden is voldaan. De vordering is derhalve niet in strijd met de beginselen van de goede procesorde. Ten aanzien van feit 3 op de vordering wijziging tenlastelegging, heeft het hof overwogen dat door de gevorderde wijziging de verweten deelnemingsgedraging niet anders wordt."
5. De inleidende dagvaarding hield, na een in eerste aanleg reeds toegelaten wijziging, in dat verzoeker onder 1 werd verweten dat:
"hij op één of meer tijdstippen in de periode van 16 februari 1993 tot en met 30 september 1997 te Amsterdam en/of elders in Nederland (danwel buiten Nederland), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, terwijl hij verdachte, werkzaam was, anders dan als ambtenaar, in dienstbetrekking of optredend als lasthebber in de functie van beleggingsadviseur bij Stichting [G], naar aanleiding van hetgeen, hij verdachte in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan en/of nagelaten, danwel zou doen en/of nalaten, te weten het verstrekken van inlichtingen en/of het geven van adviezen over effectentransacties aan [medeverdachte 2] en/of het accepteren (namens Stichting [G]) van effectentransacties tegen nadelige en/of niet optimale, in ieder geval zakelijk gezien slechte koersen, één of meer geldbedragen, althans één of meer giften (met een totaalbedrag van ongeveer FL. 510.000,--), heeft aangenomen en dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever;"
en dat verzoeker onder 3 werd verweten dat:
"hij op één of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 1991 tot en met 25 mei 1995 te Amsterdam en/of te Bussum en/of te Rijswijk, gemeente Rijswijk, en/of elders in Nederland, danwel buiten Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, die werd gevormd door verdachte en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 1] en/of één of meer ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten (ondermeer) het plegen van valsheid in geschrift en/of oplichting en/of omkoping en/of heling, welke deelneming (ondermeer) bestond uit:
- het (namens de Stichting [G]) accepteren van (effecten)transacties tegen nadelige en/of niet optimale, in ieder geval zakelijk gezien slechte koersen
- het verrichten van hand- en spandiensten met betrekking tot de te plegen misdrijven, te weten ondermeer het geven van inlichtingen en/of het verstrekken van adviezen over effectentransacties
- het delen in de opbrengst van die misdrijven en/of voorhanden hebben van en/of overdragen van één of meer geldbedrag(en), welke verkregen was/waren door die misdrijven, terwijl hij, verdachte, van die organisatie mede-oprichter was en/of binnen die organisatie een leidinggevende rol vervulde;"
6. Ten gevolge van de in hoger beroep toegelaten wijziging zijn aan de tenlastelegging van deze feiten de navolgende (cursief weergegeven) woorden toegevoegd, zodat de tenlastelegging van deze feiten is komen te luiden:
(feit 1)
"hij op één of meer tijdstippen in de periode van 16 februari 1993 tot en met 30 september 1997 te Amsterdam en/of elders in Nederland (danwel buiten Nederland), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, terwijl hij verdachte, werkzaam was, anders dan als ambtenaar, in dienstbetrekking of optredend als lasthebber in de functie van beleggingsadviseur bij Stichting [G], naar aanleiding van hetgeen, hij verdachte in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan en/of nagelaten, danwel zou doen en/of nalaten, te weten het verstrekken van inlichtingen en/of het geven van adviezen over effectentransacties aan [medeverdachte 2] en/of het laten verrichten van effectentransacties door [medeverdachte 2] en/of [A] (vestiging(en) Londen en/of elders) en/of een of meer anderen (al dan niet na voorafgaand - telefonisch - overleg) alvorens (bij aankoop of nadat (bij verkoop) diezelfde effecten ("obligaties") werden aangekocht respectievelijk verkocht door [H], althans daarmee verbonden lichamen, en/of het accepteren (namens Stichting [G]) van effectentransacties tegen nadelige en/of niet optimale, in ieder geval zakelijk gezien slechte koersen, één of meer geldbedragen,
althans één of meer giften (met een totaalbedrag van ongeveer FL. 510.000,--), heeft aangenomen en dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever;"
(feit 3)
"hij op één of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 1991 tot en met 25 mei 1995 te Amsterdam en/of te Bussum en/of te Rijswijk, gemeente Rijswijk, en/of elders in Nederland, danwel buiten Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, die werd gevormd door verdachte en/of [medeverdachte 2] en/of [A] Ltd. en/of [B] Ltd. en/of [C] Ltd. en/of [D] Ltd. en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 1] en/of één of meer ander(en), althans die gevormd werd door hem, verdachte, en/of [medeverdachte 2] en/of [A] en/of [B] en/of [C] en/of [D] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten (ondermeer) het plegen van valsheid in geschrift en/of oplichting en/of omkoping en/of heling, welke deelneming (ondermeer) bestond uit:
- het (namens de Stichting [G]) accepteren van (effecten)transacties tegen nadelige en/of niet optimale, in ieder geval zakelijk gezien slechte koersen
- het verrichten van hand- en spandiensten met betrekking tot de te plegen misdrijven, te weten ondermeer het geven van inlichtingen en/of het verstrekken van adviezen over effectentransacties en/of het verrichten en/of laten verrichten van effectentransacties in samenhang met de door [H], althans daarmee verbonden lichamen, te verwerven of te vervreemden effecten (obligaties)
- het delen in de opbrengst van die misdrijven en/of voorhanden hebben van en/of overdragen van één of meer geldbedrag(en), welke verkregen was/waren door die misdrijven, terwijl hij, verdachte, van die organisatie mede-oprichter was en/of binnen die organisatie een leidinggevende rol vervulde;"
7. Ter zake van het onder 1 tenlastegelegde heeft het Hof bewezenverklaard dat verzoeker:
"(...) op tijdstippen in de periode van 16 februari 1993 tot en met 30 september 1997 in Nederland, terwijl hij, verdachte, werkzaam was, anders dan als ambtenaar, in dienstbetrekking bij Stichting [G], naar aanleiding van hetgeen, hij, verdachte, in zijn dienstbetrekking heeft gedaan, te weten het verstrekken van inlichtingen en/of het geven van adviezen over effectentransacties aan [medeverdachte 2], geldbedragen, met een totaalbedrag van ongeveer fl. 510.000,-, heeft aangenomen en dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever;"
8. De bewezenverklaring ter zake van het onder 1 tenlastegelegde blijft derhalve binnen de grenzen van de tenlastelegging zoals die luidde alvorens zij in hoger beroep werd gewijzigd. Dat brengt mee dat verzoeker geen belang heeft bij de klacht dat die wijziging ten onrechte is toegelaten, vgl. HR 15 juni 2004, LJN AO8810.
9. Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde heeft het Hof bewezenverklaard dat verzoeker:
"(...) in de periode van 1 januari 1991 tot en met 25 mei 1998 te Rijswijk, gemeente Rijswijk en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, die werd gevormd door verdachte en [medeverdachte 2] en [A] Ltd. en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten omkoping, welke deelneming onder meer bestond uit het verrichten van hand- en spandiensten met betrekking tot de te plegen misdrijven, te weten het geven van inlichtingen en/of het verstrekken van adviezen over effectentransacties".
Deze bewezenverklaring bevat twee elementen uit de in hoger beroep toegelaten wijziging van de tenlastelegging, te weten de uitbreiding van de kring van deelnemers aan de organisatie met [A] Ltd. en [medeverdachte 4]. Overigens blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat [A] Ltd de rechtspersoon was waarbinnen [medeverdachte 2] - als (managing) director - de effectenhandel bedreef, en dat [medeverdachte 4] bij deze rechtspersoon in dienst was.
10. In de toelichting op het middel wordt uit HR NJ 2002, 536 afgeleid dat een belangrijke uitbreiding van de kring der deelnemers aan een criminele organisatie tot gevolg heeft dat een ander feit in de zin van art. 68 Sr Pro wordt tenlastegelegd, aangezien het Hof in die zaak een aanzienlijke verruiming van de periode waarbinnen het feit was begaan had toegelaten, overwegende dat het in art. 140, eerste lid, Sr strafbaar gestelde misdrijf een voortdurend delict is "en het ook bij wijziging van de tenlastelegging dezelfde deelnemers en soortgelijke gedragingen betreft", waarin de Hoge Raad geen onjuiste rechtsopvatting heeft gezien.
11. Het komt mij voor dat een andere benoeming van de deelnemers aan een criminele organisatie slechts dan tot gevolg heeft dat de tenlastelegging een ander feit in de zin van art. 68 Sr Pro gaat betreffen, indien - mede gelet op hetgeen uit de stukken van het geding valt op te maken - elk verband met de oorspronkelijk genoemde kring van personen verloren gaat. De enkele omstandigheid dat aan de reeds als deelnemers aan de criminele organisatie genoemde (rechts)personen andere (rechts)personen worden toegevoegd kan niet meebrengen dat de in art. 313, tweede lid, Sv gestelde grens wordt overschreden, ook niet wanneer die toevoeging vele (rechts)personen betreft.
12. Met betrekking tot het uitbreiden van de deelnemingshandelingen, in de tenlastelegging onder 3 achter het tweede gedachtestreepje, wordt in de toelichting op het middel betoogd dat "verrichten of laten verrichten van effectentransacties" een wezenlijk andere betekenis heeft dan "geven van inlichtingen en verstrekken van adviezen over effectentransacties".
13. Ook ten aanzien van deze uitgebreide omschrijving van de deelnemingshandelingen moet worden vastgesteld dat het Hof bij de bewezenverklaring is gebleven binnen de bewoordingen van de tenlastelegging zoals die luidde vóór de in hoger beroep toegelaten wijziging, zodat verzoeker bij deze klacht geen belang heeft.
14. Afgezien daarvan kan ik het hier opgeworpen bezwaar niet volgen. "Verrichten of laten verrichten" van effectentransacties kan slaan op het (door)geven van een order die de desbetreffende effectenhandelaar moet uitvoeren tenzij zich bijzondere omstandigheden voordoen, zoals het ontbreken van een tegenpartij of een dekkingstekort bij de opdrachtgever. Zulk "(laten) verrichten" kan evenwel ook bestaan uit (niet noodzakelijk verplichtende) aandrang op degene die uiteindelijk de order aan de effectenhandelaar moet verstrekken. In dat opzicht kan er slechts een gradueel verschil zijn met het "geven van inlichtingen en verstrekken van adviezen over effectentransacties", waarin een ferme aanbeveling gelegen kan zijn die transacties uit te laten voeren.
15. Het Hof kon oordelen - gelijk in de laatste volzin van de hierboven onder 4 weergegeven overweging besloten kan worden geacht - dat het "geven van inlichtingen en/of verstrekken van adviezen over effectentransacties" en het daaraan toegevoegde "verrichten en/of laten verrichten van effectentransacties" gedragingen zijn, begaan onder omstandigheden waaruit blijkt van een zodanig verband met betrekking tot de gelijktijdigheid van die gedragingen en een zo wezenlijke samenhang in het handelen en de schuld van de verdachte, dat de tenlastelegging geen ander feit in de zin van art. 68 Sr Pro is gaan betreffen.
16. Het in de aanvullende schriftuur opgeworpen middel is derhalve vruchteloos voorgesteld.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Griffienr. 02964/03
Mr. Wortel
Zitting:29 juni 2004
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Namens verzoeker is cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam waarbij verzoeker wegens
(feit 1)
"anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking heeft gedaan, aannemen van een gift en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever, meermalen gepleegd,
(feit 2)
"opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, meermalen gepleegd",
en
(feit 3)
"deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven"
is veroordeeld tot - in plaats van zes maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf - het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte voor de duur van 240 uren, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaren, alsmede een geldboete van € 200.000,=, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van één jaar.
2. Namens verzoeker heeft mr. C. Waling, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld. Na het verstrijken van de in art. 437, tweede lid, Sv gestelde termijn is (uitsluitend per fax) nog een aanvullende schriftuur bij de Hoge Raad binnengekomen. Daar ga ik aan voorbij aangezien zij geen nadere toelichting op de reeds ingediende middelen bevat, doch een zelfstandige - te laat ingediende - klacht.
Deze zaak hangt samen met de zaken die bij de Hoge Raad bekend zijn onder griffienummers 02960/03 en 02962/03, waarin ik heden eveneens concludeer.
3. Het eerste middel bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM bij de behandeling in cassatie is overschreden, aangezien er méér dan acht maanden zijn verstreken tussen het instellen van het cassatieberoep, op 16 april 2003, en de binnenkomst van de stukken bij de Hoge Raad, op 19 december 2003.
4. De zogenaamde 'inzendtermijn' van - behoudens bijzondere omstandigheden - ten hoogste acht maanden is met ongeveer één maand overschreden. Daarin zal de Hoge Raad aanleiding willen zien de opgelegde straf te matigen, aangezien deze vertraging niet gecompenseerd kan worden door een voortvarende behandeling van het cassatieberoep.
Het middel is dus terecht voorgesteld.
5. Het tweede middel keert zich tegen de bewezenverklaring van de onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten met de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen en 's Hofs bewijsoverwegingen niet kan volgen dat verzoeker in dienstbetrekking aan [medeverdachte 2] inlichtingen heeft verstrekt of adviezen heeft gegeven betreffende effectentransacties en naar aanleiding daarvan geldbedragen heeft ontvangen.
6. Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde is ten laste van verzoeker bewezen verklaard dat
"hij op tijdstippen in de periode van 16 februari 1993 tot en met 30 september 1997 in Nederland, terwijl hij, verdachte, werkzaam was, anders dan als ambtenaar, in dienstbetrekking bij Stichting [G], naar aanleiding van hetgeen, hij, verdachte, in zijn dienstbetrekking heeft gedaan, te weten het verstrekken van inlichtingen en/of het geven van adviezen over effectentransacties aan [medeverdachte 2], geldbedragen, met een totaalbedrag van ongeveer fl. 510.000,-, heeft aangenomen en dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever;"
7. Naar aanleiding van een ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer heeft het Hof nadere bewijsoverwegingen opgenomen, luidende:
" Ten aanzien van de feiten 1 en 3
Ter terechtzitting in hoger beroep is door verdachte en diens raadsman aangevoerd dat de in de tenlastelegging bedoelde geldbedragen die verdachte heeft ontvangen de vruchten waren van beleggingsactiviteiten die door [medeverdachte 2] waren ondernomen ten behoeve van een beleggingsclubje waartoe - naast verdachte en [medeverdachte 2] - ook [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] behoorden; in elk geval heeft verdachte in de veronderstelling verkeerd van een dergelijk clubje deel uit te maken.
Het hof acht deze voorstelling van zaken onaannemelijk, reeds omdat verdachte blijkens zijn eigen verklaring nooit geld heeft ingebracht ten behoeve van beleggingen, hij niet wist wat wanneer werd gekocht of verkocht, er bij afrekening geen onderliggende bescheiden werden overgelegd en verdachte niet wist waar de door [medeverdachte 2] gedane betalingen precies betrekking op hadden, hij niet heeft kunnen vaststellen dat er daadwerkelijk belegd is, hij het geld altijd contant heeft gekregen, er alleen maar positieve beleggingsresultaten waren en hij de consequenties van verliesgevende investeringen nooit had besproken. Onder die omstandigheden is het hof van oordeel dat het bestaan van het door de verdediging bedoelde 'beleggingsclubje' niet aannemelijk is geworden en dat evenzeer onaannemelijk is dat verdachte - die geen onbekende was op het terrein van beleggingen - dit destijds niet heeft begrepen. Evenmin is aannemelijk geworden dat verdachte feitelijk beleggingsrisico heeft gelopen.
Ten aanzien van feit 1
Waar het bestaan van een 'beleggingsclubje' niet aannemelijk is geworden, is het hof van oordeel dat de gelden die verdachte in ontvangst heeft genomen, moeten worden aangemerkt als giften die hij in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgeefster. Immers, verdachte - destijds werkzaam bij Stichting [G] - ontving deze geldbedragen naar aanleiding van inlichtingen en/of adviezen over effectentransacties die hij had gegeven aan [medeverdachte 2], directeur van [A] Ltd. (verder te noemen: [A]) dat een vaste relatie van Stichting [G] was. Aldus oefende verdachte ten eigen bate een goed betaalde nevenfunctie uit ten behoeve van een relatie van zijn werkgeefster op een terrein dat nauw verwant was aan dat van zijn reguliere werkzaamheden bij Stichting [G]. De extra inkomsten die hij op die manier door belangenverstrengeling verwierf waren dusdanig ongebruikelijk dat hij deze tegenover zijn werkgeefster niet geheim kon houden zonder daarmee in strijd te handelen met de goede trouw, in de zin zoals dit begrip wordt gebezigd in artikel 328ter van het Wetboek van Strafrecht (waartoe het hof - kortheidshalve - verwijst naar Kamerstuk TK 8437, nr. 4, p. 15 en 16 (1965-1966))."
8. De toelichting op het middel omvat naar de kern genomen de stelling dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat er een verband is tussen de aan verzoeker gedane betalingen en adviezen of inlichtingen die hij [medeverdachte 2] heeft gegeven.
Bovendien zou een bewijsoverweging die in de aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is opgenomen, luidende:
"In de bewijsmiddelen 18 en 19 is een opsomming gegeven van stortingen op bankrekeningen van verdachte. Verdachte heeft - hoewel daartoe ruimschoots in de gelegenheid gesteld - geen opheldering willen geven over de herkomst van het geld van die stortingen, behoudens met betrekking tot de storting van 2 augustus 1995 ad fl. 7.932 en de storting van 4 april 1997 ad fl. 15.897, waarover hij in zijn tiende verklaring, van 2 juni 1998, afgelegd tegenover de opsporingsambtenaren Wassenaar en Roosen (V/96-10), heeft verklaard dat die gelden speelwinst uit het casino zouden zijn. Het hof houdt het ervoor dat alle stortingen, afgezien van de twee specifiek genoemde, gelden betreffen die afkomstig zijn van [medeverdachte 2] in verband met de door verdachte aan [medeverdachte 2] verstrekte inlichtingen en adviezen."
onbegrijpelijk zijn, daar verzoeker heeft betoogd dat bedoelde stortingen het hem toekomende deel vormen van de koerswinsten die behaald zijn door een beleggingsclubje waarvan hij deel uitmaakte, met [medeverdachte 2] als degene die bepaalde welke effectentransacties namens het beleggingsclubje zouden worden verricht. Aldus zou verzoeker wel degelijk een verklaring voor de op zijn rekeningen gestorte bedragen hebben gegeven.
9. Blijkens de bewijsmiddelen was verzoeker regiomanager Europa van de Stichting [G], en als zodanig verantwoordelijk voor beleggingen in onder meer aandelen. Onder de Stichting [G] was de Stichting [H] gebracht. Voor laatstgenoemde Stichting was verzoeker fundmanager, en in die hoedanigheid gemachtigd om opdrachten aan effecteninstellingen te geven.
Tot die effecteninstellingen behoorde [A] Ltd ([A]) te Londen, waarvan [medeverdachte 2] (managing) director was. Een tot bewijs gebezigde verklaring van [medeverdachte 2] houdt in dat [A] zelf geen posities mocht innemen, en dat [medeverdachte 2] de effectentransacties waarop de bewijsmiddelen betrekking hebben liet uitvoeren ten name van de rechtspersonen [B] Ltd, [D] Ltd en [C] Ltd, voor welke rechtspersonen [medeverdachte 2] als vermogensbeheerder optrad.
10. Omstreeks 1989 is verzoeker door [medeverdachte 5] geïntroduceerd bij [medeverdachte 4], werkzaam bij [A]. Nadien heeft verzoeker regelmatig met [medeverdachte 2] gesproken. Overigens zijn in de bewezenverklaring ter zake van het onder 3 tenlastegelegde naast verzoeker [medeverdachte 2], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4], alsmede de bovengenoemde rechtspersonen, genoemd als deelnemers aan de criminele organisatie.
11. Diens tot bewijs gebezigde verklaring (bewijsmiddel 1) houdt in dat verzoeker in de bovengenoemde hoedanigheid weliswaar zakelijk contacten met [medeverdachte 2] onderhield, maar dat hij in de contacten met [medeverdachte 2], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] slechts in algemene zin filosofeerde over beleggingsstrategieën en over zijn inzichten in de markt.
12. Een tot bewijs gebezigd geschrift, waarin [medeverdachte 2] vragen van de raadsman heeft beantwoord, houdt in dat hij met verzoeker sprak over
"beleggingsstrategieën in het algemeen en in dat kader kwamen wij ook wel eens te spreken over wenselijke of denkbare strategieën voor [H]".
13. In een tot bewijs gebezigde verklaring van [medeverdachte 2] is te vinden:
"[Medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] hebben gezamenlijk gewerkt in de jaren zestig. [medeverdachte 5] en [verdachte] waren zowel goede zakenrelaties, als goede vrienden. [Medeverdachte 5] vond het een goed idee om [verdachte] bij [medeverdachte 4] te introduceren en dacht dat zowel [H] als [A] hierbij gebaat waren. Na verloop van tijd is [H] klant geworden van [A]."
Naar luid van deze verklaring heeft [medeverdachte 2] contante betalingen gedaan aan personen met wie hij als vermogensbeheerder effectentransacties deed, terwijl verzoeker behoorde tot de personen aan wie hij zulke betalingen deed.
Daarnaast houdt deze verklaring in:
"(...) U toont mij mijn agenda's over de jaren 1993 tot en met 1997 en vraagt mij door wie de aantekeningen in de agenda's zijn opgesteld. Door mij. Voorts vraagt u mij wanneer de aantekeningen zijn gemaakt. Ik heb de aantekeningen geschreven nadat het feit, waarover ik die aantekeningen maakte, zich voltrokken had. De aantekeningen hebben over het algemeen betrekking op effectentransacties. In principe hebben de aantekeningen betrekking op feiten die in het jaar van diezelfde agenda hebben plaatsgevonden. U vraagt mij wat de functie is van die aantekeningen. Dat zijn aantekeningen die ik heb gemaakt om de resultaten van effectentransacties bij te houden. (...) Hx4 zijn [verdachte], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4]. Ik hoor daarbij in mijn hoedanigheid van vermogensbeheerder. H+H+R heeft dezelfde betekenis als Hx4."
14. De bewijsmiddelen 18 en 19 bevatten een opsomming van stortingen op een bankrekening van verzoeker.
Voorts behoren aantekeningen in agenda's van [medeverdachte 2] tot de bewijsconstructie. Dienaangaande heeft een verbalisant ondervonden (bewijsmiddel 4):
"In agenda's, welke in de woning van [medeverdachte 2] in Amsterdam zijn aangetroffen, zijn aantekeningen gevonden die vermoedelijk betrekking hebben op effectentransacties. De effectentransacties zijn in de agenda's opgenomen bij vermoedelijk initialen van de deelnemers aan de organisatie.
De lettercombinatie H+H+R komt voor in de agenda over het jaar 1993, terwijl de combinatie "Hx4" over de jaren 1993, 1994, 1995, 1996 en 1997 voorkomt.
Bij alle effectentransacties, waarbij aansluiting kon worden gevonden tussen de agenda's van [medeverdachte 2] en de lettercombinatie "H + H + R" en de overzichten van [J] en [A], was de counterparty van [A]: Stichting [H] (zie 3/AH-53h, ordner 28).
Bij een aantal effectentransacties, die zowel werden teruggevonden in de agenda's van [medeverdachte 2] onder de lettercombinatie "H x 4" als in overzichten van [J] en [A], was de counterparty van [A]: Stichting [H] (zie 3/AH-53j, ordner 28).
(p. 13) Uit de aantekeningen in de agenda's is het vermoeden ontstaan dat de op de diverse effectentransacties gemaakte koerswinsten zijn verdeeld over een aantal personen, waarbij per persoon in ieder geval zal zijn vrijgekomen:
1993 (H+H+R)Hfl. 623.000,-
1994 (Hx4): US$ 118.375,-
Hfl. 396.625,-
DM 122.500,-
Ffr. 597.500,-
1995 (Hx4): Hfl. 148.750,-
Dkr. 550.000,-
Ffr. 37.500,-
1996 (Hx4):Hfl. 145.500,-
1997 (Hx4): Hfl. 221.000,-
DM 274.500,-
RC 602.750,-"
15. Gelet op het in de bewijsmiddelen genoemde verband tussen de betalingen die [medeverdachte 2] heeft gedaan aan de in zijn agenda's met "H+H+R" respectievelijk "Hx4" aangeduide personen en effectentransacties, waarbij de Stichting [H] als "counterparty" van [A] optrad, en voorts gelet op de uit die bewijsmiddelen blijkende aard en achtergrond van de gesprekken die verzoeker met [medeverdachte 2] heeft gevoerd, is naar mijn inzicht niet onbegrijpelijk dat het Hof heeft aangenomen dat de op verzoekers rekening gestorte bedragen aan hem zijn betaald naar aanleiding van inlichtingen en adviezen die hij in zijn dienstbetrekking bij Stichting [G] en, uit dien hoofde, als fundmanager van de Stichting [H] aan [medeverdachte 2] heeft verstrekt.
16. Ook in het licht van verzoekers - door het Hof van de hand gewezen - stelling dat de hem betaalde bedragen diens aandeel vormden in de koerswinsten van een beleggingsclubje acht ik voorts niet onbegrijpelijk dat het Hof heeft vastgesteld dat verzoeker geen opheldering heeft gegeven omtrent de herkomst van de op zijn rekening gestorte geldbedragen. Zoals het Hof heeft overwogen, en blijkt uit bewijsmiddel 1, heeft verzoeker namelijk verklaard dat hij niet kan zeggen wat de precieze reden is voor de betalingen die [medeverdachte 2] hem deed.
17. De bewezenverklaring ter zake van het onder 1 tenlastegelegde is naar mijn oordeel naar behoren met redenen omkleed.
Ook de klacht, aan het slot van de toelichting op het middel, dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat verzoeker in algemene zin heeft geweten dat de organisatie, waarvan hij naar luid van de bewezenverklaring ter zake van het onder 3 tenlastegelegde deel uitmaakte, het plegen van het in de bewezenverklaring genoemde misdrijf "omkoping" beoogde, kan naar mijn inzicht geen doel treffen.
18. Het eerste middel treft doel doch het tweede middel acht ik vruchteloos voorgesteld.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf, tot vermindering van die straf ter compensatie van de overschrijding, bij de behandeling in cassatie, van de redelijke termijn voor berechting, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,