ECLI:NL:PHR:2004:AP8464

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00297/04 B
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 447 SvArt. 410 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling ontvankelijkheid hoger beroep in verlenging gevangenhouding na wetswijziging

In deze zaak stond de ontvankelijkheid van het hoger beroep van het Openbaar Ministerie tegen een beschikking tot afwijzing van verlenging van de gevangenhouding centraal. Het hof had het OM niet-ontvankelijk verklaard omdat geen appelmemorie met grieven was ingediend, terwijl het OM hoger beroep had ingesteld.

De advocaat-generaal stelde cassatieberoep in en voerde aan dat sinds de wetswijziging van 1 mei 1992 (Wet van 27 november 1991) het OM niet meer verplicht is om bij hoger beroep een schriftuur met grieven in te dienen. Deze wijziging was ingevoerd om onnodige vertraging te voorkomen en het onderscheid tussen schrifturen bij hoger beroep en cassatie te vereenvoudigen.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof met zijn niet-ontvankelijkheidsverklaring zonder nadere motivering onbegrijpelijk heeft geoordeeld, omdat de wetsgeschiedenis duidelijk maakt dat het OM facultatief een appelmemorie kan indienen. De zaak wordt vernietigd en terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beslissing over het hoger beroep.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de niet-ontvankelijkheidsverklaring van het OM en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beslissing.

Conclusie

Griffienr. 00297/04 B
Mr. Wortel
Zitting:29 juni 2004
Conclusie inzake:
[verdachte]
Door de advocaat-generaal bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage is cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van dat Hof waarbij de officier van justitie niet-ontvankelijk is verklaard in diens hoger beroep tegen een beschikking van de Rechtbank te 's-Gravenhage waarbij een vordering tot verlenging van de gevangenhouding van de bovengenoemde persoon is afgewezen.
1. De advocaat-generaal heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2. Daarin wordt er over geklaagd dat de na te noemen beslissing in strijd met de wet is, althans zonder nadere motivering niet begrijpelijk is.
3. De thans bestreden beschikking houdt in:
"Gezien de akte van de griffier van de arrondissementsrechtbank te Den Haag waarbij de Officier van Justitie, in de zaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats]
hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking d.d. 17 december 2003 van de rechtbank te Den Haag houdende afwijzing vordering van de gevangenhouding.
Gezien de beschikking waarvan beroep.
Gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door diens raadsvrouw, mr. DAMMAN.
Overwegende, dat het hof niet in het bezit is van het appelmemorie ten tijde van de behandeling van de zaak in hoger beroep.
Beschikkende:
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep"
4. In de toelichting op het middel wordt er terecht op gewezen dat art. 447 Sv Pro is gewijzigd bij de Wet van 27 november 1991, houdende enkele wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering en enige ander wetten, in het bijzonder betreffende de bepalingen houdende termijnen, Stb. 1991, 663, in werking getreden op 1 mei 1992, ten gevolge van welke wijziging het Openbaar Ministerie na het instellen van hoger beroep bevoegd doch - anders dan voordien - niet gehouden is een schriftuur in te dienen bevattende grieven tegen de in hoger beroep bestreden beschikking.
5. Blijkens de wetsgeschiedenis is de verplichting van het Openbaar Ministerie om bij het instellen van hoger beroep tegen beschikkingen een appèlmemorie in te dienen afgeschaft omdat die verplichte indiening, ter griffie van het gerecht dat de bestreden beschikking heeft gewezen, onwenselijke vertraging bij het inzenden van de stukken naar de hogere instantie kan opleveren. Daarnaast was er naar het inzicht van de wetgever onvoldoende reden om te blijven vasthouden aan het onderscheid tussen de schriftuur die krachtens art. 410 Sv Pro kan doch niet behoeft te worden overgelegd en de schriftuur die voorheen krachtens art. 447 Sv Pro op straffe van niet-ontvankelijkheid moest worden ingediend. De verplichting tot het indienen van een schriftuur houdende middelen is ten aanzien van de cassatieprocedure gehandhaafd, maar ten aanzien van het hoger beroep gewaagt de Memorie van Toelichting nadrukkelijk van een facultatieve schriftuur. Daarbij nam de minister van Justitie in aanmerking dat de bij het Openbaar Ministerie bestaande bezwaren tegen een beschikking, gelet op art. 23, tweede lid Sv, ook bij de behandeling in hoger beroep naar voren gebracht kunnen worden, terwijl die behandeling in hoger beroep in voldoende mate waarborgt dat de verdachte de zienswijze van het Openbaar Ministerie kan bestrijden, vgl. Kamerstukken II, 1988-1989, 21 241, nr. 3, p. 10 - 13.
6. Voor zover de thans bestreden beschikking aldus begrepen moet worden dat het Hof art. 447, eerste lid Sv, zoals de bepaling sedert 1 mei 1992 luidt, niet heeft miskend maar heeft geoordeeld dat beginselen van een goede procesorde meebrengen dat de officier van justitie gehouden was zijn bezwaren in een appèlmemorie neer te leggen, bij gebreke waarvan de officier van justitie in diens hoger beroep niet ontvangen kan worden, meen ik dat dit oordeel, gelet op de bovengenoemde wetsgeschiedenis, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Daarbij teken ik aan dat met het oog op die wetsgeschiedenis wel heel bijzondere omstandigheden genoemd zouden moeten worden om een dergelijk, aan beginselen van een goede procesorde ontleend, oordeel begrijpelijk te doen zijn.
7. Het middel is terecht voorgesteld. Nu het Hof zich nog geen oordeel heeft gevormd over de in hoger beroep bestreden beschikking komt het mij aangewezen voor om de zaak naar hetzelfde Hof terug te wijzen.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking, en terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage opdat naar aanleiding van het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep opnieuw zal worden beslist.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,