ECLI:NL:PHR:2004:AP9620
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vordering en bewijs omtrent verbouwing privé-woning in civiele procedure
Deze zaak betreft een civiele procedure tussen eiser en verweerder over vorderingen met betrekking tot verschillende bouwprojecten, waarbij in cassatie alleen de vordering van verweerder op eiser inzake de verbouwing van diens privé-woning centraal staat.
De procedure kent een lang procesverloop met meerdere tussenarresten en een eindarrest van het hof Arnhem. Het geschil spitst zich toe op de omvang en hoogte van de werkzaamheden die verweerder aan de woning van eiser heeft verricht. Eiser betwistte aanvankelijk het feit dat werkzaamheden waren verricht, maar wijzigde zijn verweer na bewijslevering tot betwisting van de hoogte van de vordering. Het hof heeft de vordering van verweerder deels toegewezen op basis van bewijs waaronder getuigenverklaringen, specificaties, tekeningen en facturen van deelposten.
Eiser voerde in cassatie onder meer aan dat het hof onterecht buiten de grenzen van de rechtsstrijd trad, dat het hof de stelplicht en bewijslast miskende door het ontbreken van een verzamel-factuur, en dat het hof onzorgvuldig was in de bewijswaardering en het schatten van uren zonder deskundigenbericht. De Hoge Raad oordeelt dat het hof bevoegd was de bewijswaardering te maken zoals gedaan, dat een factuur geen bestaansvereiste is voor betalingsplicht, en dat het hof niet hoefde te schatten maar het bewijs per deelpost mocht beoordelen. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hof-oordeel bevestigd dat eiser aan verweerder een bedrag van € 28.986,96 verschuldigd is.