ECLI:NL:PHR:2004:AP9669
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van toekomstige nihilstelling partneralimentatie op grond van redelijke verwachting
In deze zaak verzocht de man de partneralimentatie die hij aan de vrouw betaalde te verminderen tot nihil of ten hoogste een bepaald bedrag, omdat verwacht werd dat de vrouw op termijn in haar eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien. De rechtbank stelde de alimentatie al stapsgewijs naar beneden bij, waarna het hof de alimentatie per een toekomstige datum op nihil stelde. De vrouw ging hiertegen in cassatie.
De Hoge Raad moest beoordelen of de beslissing van het hof moest worden gekwalificeerd als een limiteringsbeslissing in de zin van art. 1:157 lid 3 BW Pro, waarbij hoge eisen gelden aan stelplicht en motivering, of als een nihilstelling op grond van een redelijke toekomstverwachting, waarvoor deze hoge eisen niet gelden. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de beschikking juist niet als limiteringsbeslissing had opgevat, maar als een anticiperende wijziging op basis van een redelijke verwachting dat de vrouw in de toekomst zelfstandig in haar levensonderhoud kan voorzien.
De Hoge Raad benadrukte dat de alimentatiegerechtigde in zo'n situatie later alsnog op grond van gewijzigde omstandigheden een verzoek tot herziening kan indienen. Ook stelde de Hoge Raad dat het hof voldoende motivering had gegeven en dat de door de vrouw aangevoerde klachten onvoldoende waren om het oordeel te vernietigen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de mogelijkheid om alimentatie op termijn op nihil te stellen zonder de zware motiveringseisen van een limiteringsbeslissing.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen; de partneralimentatie kan op termijn op nihil worden gesteld op basis van een redelijke toekomstverwachting.