ECLI:NL:PHR:2004:AQ0464
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voorlopige machtiging op grond van Wet Bopz bij weigering vrijwillige opname
In deze zaak betrof het een verzoek tot cassatie tegen een voorlopige machtiging voor gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz).
De rechtbank had vastgesteld dat betrokkene leed aan een ernstige stoornis van de geestvermogens, veroorzaakt door een alcoholverslaving en mogelijk organische hersenschade. Er was sprake van gevaar voor betrokkene zelf en de maatschappij, dat niet door tussenkomst van derden buiten het ziekenhuis kon worden afgewend. Betrokkene had weliswaar een bereidverklaring afgelegd om zich te laten opnemen, maar stelde eigen voorwaarden, zoals het weigeren van een noodzakelijke intramurale ontwenningskuur, en er was geen ander psychiatrisch ziekenhuis bereid betrokkene op die voorwaarden op te nemen.
De Hoge Raad oordeelde dat het enkele uitspreken van een bereidverklaring niet voldoende is om een voorlopige machtiging te weigeren als de bereidheid niet reëel is en geen passend alternatief beschikbaar is. Het oordeel van de rechtbank dat betrokkene onvoldoende bereid was en dat de voorlopige machtiging terecht was verleend, werd bevestigd. De cassatie werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de voorlopige machtiging tot gedwongen opname.