1 Zaaknummer 47836/HA ZA 01-926.
2 Grondplannrs. [001], [002], [003], [004], [005] en [006].
3 Het deskundigenrapport (blz. 7) vermeldt het volgende: In de oorspronkelijke vergunning omvatte het te ontgraven gebied een oppervlakte van circa 209 ha. dat was onderverdeeld in de gebieden Molenplas, Neerveld en Walburg. Na beroep bij de ABRvS is bij uitspraak van 18 juli 1995 (nr. G03.93.0846) het gebied Walburg uit de vergunning geschrapt. Over bleven dus Molenplas (156 ha.) en Neerveld (28 ha.).
4 Er bestaat (bij mij) verwarring over de diverse genoemde oppervlakten van het "projectgebied." Mr. Kaal is op de oppervlaktenverwarring ingegaan in zijn commentaar op het concept-advies van de deskundigen (brief van 29 november 2002, bijlage bij het deskundigenrapport). Dat commentaar is gedeeltelijk opgenomen op blz. 9 van het rapport. Het projectgebied zoals gedefinieerd in de projectovereenkomst van 28 september 1993 is groter dan het te ontgronden gebied (resp. circa 237 en 187 ha) en omvat mede het gebied Walborg. De projectovereenkomst is echter gekoppeld aan de ontgrondingsvergunning. Het uiteindelijk feitelijk in de uitvoering betrokken projectgebied (exclusief Walborg) is 212.39.62 ha.
5 Art. 72c Onteigeningswet luidt:
"1. Zonder voorafgaande verklaring bij de wet, dat het algemeen nut de onteigening vordert, kan onteigening in het belang van de winning van oppervlaktedelfstoffen plaats hebben van zaken en rechten als bedoeld in artikel 4:
a. overeenkomstig een onherroepelijk geworden besluit tot vaststelling van een winplaats in een streekplan; b. indien terzake een vergunning tot ontgronding krachtens de Ontgrondingenwet is verleend en onherroepelijk is geworden.
2. De onteigening geschiedt ten name van het Rijk of van de provincie.
3. De onteigening heeft plaats uit kracht van een door Ons, de Raad van State gehoord, genomen besluit.
4. De bepalingen van de artikelen 63 tot en met 64b zijn van overeenkomstige toepassing."
6 KB van 22 maart 2001, nr. 01.001420, gepubliceerd in Staatscourant 10 april 2001, nr. 71. Het te ontgronden gebeid in de gemeente Maasbracht ligt ingeklemd tussen Stevensweert aan de noordzijde, het Julianakanaal aan de oostzijde, de kernen van Ohé en Laak aan de zuidzijde en de Maas aan de westzijde en de noordwestzijde (deskundigenrapport, p. 7).
7 Onder voorbereiding wordt onder meer verstaan de verwerving van alle terreinen, het verwerven van alle benodigde vergunningen inclusief het maken van m.e.r.'s , het aanleggen van geluidswallen, omleggen van wegen, kabels en leidingen, het afruimen van de bovengrond en alles wat nodig is om het gebied feitelijk gereed te maken voor de baggering van het grind- en zandpakket, aldus de Schriftelijke Toelichting van de Provincie, p.2 en de Notitie van Stevol van 28 november 2002 met kenmerk N372/02 (bijlage bij het deskundigenrapport).
8 Deskundigenrapport, p. 5-7.
9 Deskundigenrapport, p. 5 en descentenota van de Provincie d.d. 25 juni 2002, p.5.
10 Bij dagvaarding van 22 november 2001 bood de Provincie nogmaals een gesprek om tot minnelijke onteigening te komen. Bij conclusie van antwoord van 10 januari 2002 doet [verweerder] weten het bij dagvaarding gedane aanbod volstrekt ongenoegzaam te achten. Ook in zijn pleitnota van 27 maart 2002 wijst hij er op dat het aanbod van de Provincie niet serieus kan worden genomen. Het aanbod is later bij descente enigszins gewijzigd, zie het proces-verbaal van 25 juni 2002, p.2 en het deskundigenrapport, p. 5.
11 Bij zijn brief van 29 juli 2002 heeft mr. Kaal aan deskundigen een groot aantal stukken toegezonden waaronder 23 notariële akten ter zake van aankopen sedert 1997 in het "Stevol-gebied."
12 Ik merk op dat het uit de stukken oprijzende beeld van de exploitatie interesse zou kunnen wekken in de nationale en EG-rechtelijke mededingings- en aanbestedingaspecten van de zaak.
13 Vonnis van Rechtbank Roermond van 30 juli 2003, zaaknummer 47836/ Ha ZA 01-926
14 Zie de pleitnota van de Provincie van 15 april 2003 en het daarbij gevoegde rapport van 2 april 2003 van mr. ing. A.C.C.M. van Heesbeen.
15 De verschillende subonderdelen zullen bij de behandeling van elk onderdeel van het cassatiemiddel aan de orde komen.
16 HR 20 november 1985, nr. 1076 (Gemeente Margraten/Provincie Limburg), NJ 1986, 416.met conclusie Moltmaker en noot MB.
17 Voor de algemene uitgangspunten die gelden bij het bepalen van het voordeel wordt verwezen naar (onder meer) HR 13 april 1960 (Van Lynden van Sandenburg/Provincie Utrecht), NJ 1960, 295, met conclusie Loeff; HR 3 februari 1963 (Provincie Urecht//de van Heumen-de Sitter Stichting), NJ 1963, 135, met conclusie Bakhoven en HR 4 januari 1984 (Provincie Gelderland/Lubbers), NJ 1985, 48, met conclusie Moltmaker en noot MB.
18 Zie HR 2 december 1959 (Staat/Rouwet), NJ 1960, 99, met conclusie Loeff; HR 13 april 1960 (Van Lynden van Sandenburg/Provincie Utrecht), NJ 1960, 295, met conclusie Loeff; HR 3 februari 1963 (Provincie Utrecht/Van Heumen - de Sitter Stichting), NJ 1963, 135, met conclusie Bakhoven.
19 In het rapport van mr. ing. Van Heesbeen (bijlage 2 bij de pleitnota van Mr. Kaal namens de Provincie d.d. 15 april 2003) stelt Van Heesbeen dat slechts bij eenvoudige winningen de complexgedachte achterwege kan blijven, omdat bij het aftichelen van percelen of ondiepe zandwinningen het soms juridisch en technisch mogelijk is delfstoffen op perceelsniveau te winnen. Volgens Van Heesbeen is hiervan echter geen sprake in het Stevol-project, omdat dit project alleen als een samenhangend geheel kan worden gerealiseerd. Van Heesbeen rapporteert dat in dit geval het arrest Van den Bos/Amsterdam, NJ 1963, 534, gevolgd dient te worden i.v.m. de complexbenadering.
20 Zie HR 26 juni 1957 (Hoogezand-Sappemeer/de Pastorie der NH Gemeente), NJ 1957, 610, met conclusie s' Jacobs en HR 25 mei 1960 (Voorburg/Overgauw), NJ 1960, 514, met conclusie Loeff. Zie ook Kamerstukken II, 1979-80, 15 978, nr. 3, blz. 10.
21 HR 3 februari 1963 (Provincie Utrecht/Van Heumen - de Sitter Stichting), NJ 1963, 135, met conclusie Bakhoven.
22 HR 4 januari 1984, nr. 1065 (Provincie Gelderland/Lubbers), NJ 1985, 48 met conclusie Moltmaker en noot MB.
23 HR 25 januari 1989, nr. 1094 (Staat/Del Court van Krimpen), NJ 1990, 234, met conclusie Moltmaker en noot MB.
24 HR 4 januari 1984, nr. 1065 (Provincie Gelderland/Lubbers), NJ 1985, 48 met conclusie Moltmaker en noot MB.
25 HR 20 november 1985, nr. 1076 (Gemeente Margraten/Provincie Limburg), NJ 1986, 416, met conclusie Moltmaker en noot MB.
26 Een uitvoerige uiteenzetting over de risico's van een groot en kapitaalintensief project als het litigieuze is te vinden in de pleitnota van mr. Kaal namens de Provincie, p. 8 e.v. en p. 17-18.
27 HR 20 november 1985, nr. 1076 (Gemeente Margraten/Provincie Limburg), NJ 1986, 416, met conclusie Moltmaker en noot MB.
28 Zie noot 25
29 Ik merkte al op (zie onderdeel 3.4. dat mijns inziens naar andere arresten verwezen moet worden; PJW.
30 In onderdeel 5.2. van hun rapport vermelden de deskundigen:
"Deskundigen constateren dat bij de onderhandelingen met grondeigenaren in het Stevolgebied de beschikbaarheid van ruilgrond een belangrijke rol heeft gespeeld. Ook in de onderhavige zaak wordt vervangende grond aangeboden om daarop het bedrijf na ontgronding te kunnen voortzetten. Door deze geboden ruilmogelijkheid is naar het oordeel van de commissie de prijsvorming vertroebeld. Wanneer een agrariër dezelfde hoeveelheid grond kan krijgen en dan ook nog beter verkaveld, speelt de prijsvorming een ondergeschikte rol. Deskundigen zijn van oordeel dat daarom de aankopen in der minne onvoldoende basis vormen om daaruit de werkelijke waarde af te leiden."
31 Zie onder meer HR 2 mei 1973 (Staat/Van der Kooij), NJ 1973, 49, met conclusie Ten Kate; HR 14 april 1999, nr. 1261 (Gemeente 's-Gravenhage/Raghoebier), NJ 2000, 394, met conclusie Ilsink.
32 Zie noot 25.
33 Rechtbank Zwolle 11 november 1998 (Provincie Overijssel /Scherpenkate), zaak 34094/HA ZA 97-1159.
34 De A.-G. Moltmaker betoogde in zijn conclusie voor Margraten/Limburg (zie noot 26):
"3.1.7. De vaststelling, dat de ontgronder de enige (en dus de beste) gegadigde was, wordt in cassatie niet bestreden. Wel wordt in onderdeel C van cassatiemiddel I betoogd, dat dit niet relevant is, omdat dit (op zichzelf) niet van invloed is op de waarde van het onteigende en van de daarin aanwezige mergel. Deze stelling kan ik niet onderschrijven. Een delfstof heeft slechts waarde als iemand bereid is deze te delven. En als er slechts een gegadigde is, zal de prijs, die deze gegadigde bereid is te betalen, bepalend zijn voor de waarde. Daarbij moet worden bedacht, dat de onteigening - en de veronderstelde verkoop - i.c. op het winnen van de delfstof is gericht. Als het de onteigenaar om de grond zelf te doen is en de daarop uit te voeren werken de delfstof als een (toevallig) nevenprodukt opleveren, ligt een afzonderlijke berekening van grondprijs en delfstof meer voor de hand dan in een geval als het onderhavige, waar de grond zelf voor de ontgronder niet van belang is en na de ontgronding (na de voorgeschreven bewerkingen) weer wordt afgestoten. De prijs die de ontgronder in dergelijke gevallen bereid is te betalen voor de grond met de delfstof is de, rekening houdend met alle omstandigheden (zoals de ligging van de grond, de termijn waarbij tot ontgronding kan worden overgegaan, de alsdan geldende - eventuele - marktprijzen, de aanwendingsmogelijkheden van de delfstof, de kosten van het ontgronden, van het vervoer van de delfstof, van het weer in goede staat brengen van de grond na de winning, de mogelijke
verkoopopbrengst van die grond enz. enz.) geschatte netto-opbrengst van de delfstof. De door de ontgronder te betalen prijs weerspiegelt als het ware een door hem gemaakte exploitatieberekening en doet dit vermoedelijk beter dan een exploitatieberekening, die door deskundigen zou worden gemaakt met behulp van allerlei - onvermijdelijke - intuitieve waarderingen van omstandigheden als vorenbedoeld.
Vgl. over de wijzen van waarderen Telders, nrs. 422 en 423, HR 6 nov. 1963, NJ 1963, 534 (Van den Bos/Gem. Amsterdam), HR 23 juni 1971, NJ 1972, 328 (De Staat/Osen) en de conclusie van mijn ambtgenoot Ten Kate voor HR 14 nov. 1973, NJ 1974, 126 (Van den Boomen/De Staat), m.nt. MB.
3.1.8. Uit het voorafgaande volgt dat de Rechtbank. m.i. kon en mocht beslissen dat in de gegeven omstandigheden de door de deskundigen gevolgde wijze van waardering juist gekozen is en dat de Rechtbank. zich over de mogelijkheid of onmogelijkheid van een andere methode niet behoefde uit te laten."
35 Het deskundigenrapport vermeldt op p. 10 het volgende: uit de door de Provincie overgelegde gegevens (bij descentenota d.d. 25 juni 2002) blijkt dat de Provincie in het ontgrondingsgebied Stevol tussen 9 juni 1997 en 27 september 2001 stukken grond bestemd voor de delfstoffenwinning heeft aangekocht voor bedragen die variëren van f 10,- per m² tot f 13,50 per m². Tussen 9 juni 1997 en 2 september 1999 zijn voorts voor bedragen tussen f 4,93 per m² en f 6,50 per m² percelen aangekocht buiten het ontgrondingsgebied om die als ruilperceel te kunnen aanbieden. De deskundigen constateren dat uit de transportakten blijkt dat in ieder geval bij 6 van de 29 genoemde vergelijkingstransacties gelijktijdig vervangende grond geruild is. In cassatie zijn de partijen het erover eens dat het om 6 van de 23 gevallen gaat (zie Schriftelijke Toelichting [verweerder], p. 3 en cassatiedagvaarding Provincie, p. 7).
Voorts is van de zijde van [verweerder] erop gewezen dat het overzicht aangevuld moet worden met een niet door de Provincie genoemde transactie [betrokkene 2] waarbij ook sprake was van aankoop met mogelijkheid van vervangende grondruil. De Provincie bestrijdt dat niet. In zijn reactie van 29 november 2002 op het concept-advies van deskundigen betwist mr. Kaal de transactie [betrokkene 2] niet; wel twee andere door [verweerders] deskundige genoemde transacties. Verder vermeldt het deskundigenrapport op p. 10 een tweetal transacties met [betrokkene 2]. Mij wordt niet duidelijk welke [betrokkene 2]-transactie nu welke is, maar ik geloof niet dat wij ons daarin hoeven te verdiepen.
36 Zie de noot van Mörzer Bruyns over de bruikbaarheid vergelijkingsprijzen in het algemeen.
37 De pleitnota van de Provincie, p.16 specificeert de verwervingskosten ad € 13.318.668 als volgt (in €):
Werkelijke aankoopprijs grond (exclusief [verweerder]) 8.628.389
Nog aan te kopen [verweerder] 385.700
Schadeloosstellingen 1.850.965
Opties 263.544
Overdrachtsbelasting/notaris 950.000
RML 960.000
Div. aankoopkosten 116.410
Panden 163.660
Totaal 13.318.668
38 Dat kan natuurlijk niet, maar men begrijpt wat ik bedoel: de huiskavel beliep meer dan de helft van het totale oppervlakte van de van [verweerder] onteigende percelen.
39 H.J. Snijders/M. Ynzonides/G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer: Kluwer, 2002, 3e druk, p. 148.
40 Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, Den Haag: Elsevier, 2002, 20e druk, p. 76.
41 Onderdeel 5.9 op p. 17 van het definitieve rapport.
42 Ik neem aan dat met "rente op kapitaalinvesteringen" afschrijving wordt bedoeld.