ECLI:NL:PHR:2004:AQ8088
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek gezagswijziging na overlijden moeder met testamentaire voogd
De zaak betreft een verzoek van een vader om met het gezag over zijn dochter belast te worden na het overlijden van de moeder, die alleen het gezag uitoefende en testamentair een vriendin als voogdes had aangewezen. De kantonrechter kende het gezag aan de vader toe, maar het gerechtshof vernietigde deze beschikking en wees het verzoek af vanwege gegronde vrees dat de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.
De Hoge Raad beoordeelt of het hof de juiste maatstaf heeft toegepast zoals voorgeschreven in art. 1:253h lid 3 BW. Deze bepaling bepaalt dat een verzoek van de overlevende ouder binnen één jaar na aanvang van de testamentaire voogdij slechts kan worden afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat de belangen van het kind bij toewijzing worden verwaarloosd. De vader stelde dat het hof een verkeerde maatstaf hanteerde, maar de Hoge Raad stelt vast dat het hof de engere toets correct heeft toegepast.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het hof terecht de belangen van het kind heeft meegewogen en dat het oordeel van het hof, onderbouwd met een brief van een kinder- en jeugdpsychologe en de situatie van het kind, niet onbegrijpelijk is. Het cassatieberoep van de vader wordt verworpen omdat het geen gegronde rechtsvraag oplevert en de motiveringen van het hof standhouden.
Uitkomst: Het verzoek van de vader om met het gezag over zijn dochter belast te worden is afgewezen omdat gegronde vrees bestaat dat de belangen van het kind bij toewijzing zouden worden verwaarloosd.