ECLI:NL:PHR:2004:AQ8178
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Waardering van sleepbootbedrijf bij verdeling huwelijksgoederengemeenschap na echtscheiding
De zaak betreft de waardering van het sleepbootbedrijf van de man per 16 december 1997, de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Partijen waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en zijn gescheiden. De vrouw vorderde een vergoeding in verband met de toescheiding van de onderneming aan de man.
De rechtbank had de onderneming met schulden aan de man toegedeeld en een bedrag van ƒ 30.187,50 toegekend aan de vrouw. Het hof vernietigde dit en bepaalde dat de vrouw slechts ƒ 809,50 toekomt, omdat het negatieve eigen vermogen van ƒ 58.758,-- in aanmerking moet worden genomen bij de waardering.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet onjuist heeft geoordeeld door het negatieve eigen vermogen mee te wegen bij de waardebepaling, mede gelet op de redelijkheid en billijkheid. De waardering van ondernemingsvermogen is maatwerk en de keuze van het hof kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst, slechts op motivering.
De klachten van de vrouw dat het hof had moeten uitgaan van de vrije marktwaarde of going concern-waarde worden verworpen, mede omdat zij zelf in de feitelijke instanties van de balansgegevens was uitgegaan. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel van het hof dat het negatieve eigen vermogen bij de waardering moet worden betrokken blijft gehandhaafd.