ECLI:NL:PHR:2004:AQ8179
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid verzoek tot herroeping faillissementsvonnis
In deze zaak verzocht eiser, directeur en aandeelhouder van de gefailleerde vennootschap [A] B.V., de rechtbank om het faillissementsvonnis van 6 juni 1974 te herroepen. Hij stelde dat het faillissement op bedrog berustte en dat er sprake was van een samenzwering door de verweersters, die gefingeerde vorderingen hadden gebruikt om het faillissement te verkrijgen.
Eiser klaagde tevens over vermeende partijdigheid van de vice-president van de rechtbank Den Haag en verwees naar rapporten en getuigenverklaringen die onrechtmatigheden in het faillissement zouden aantonen. De rechtbank Den Haag verklaarde eiser niet-ontvankelijk en verwees hem naar een dagvaardingsprocedure, waarbij eiser de verweersters dagvaardde maar zij niet verschenen.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank onjuist had geoordeeld dat het verzoek tot herroeping moest worden ingeleid met een dagvaarding volgens de artikelen 382-389 Rv. en dat eiser daardoor een onjuiste verplichting was opgelegd. Desondanks werd het cassatieberoep verworpen omdat het verzoek tot herroeping van een faillissementsvonnis geen openstaand rechtsmiddel is volgens de Faillissementswet en vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.
Het arrest bevestigt dat het bijzondere rechtsmiddel van herroeping niet kan worden ingezet tegen faillissementsvonnissen en dat de procedure correct moet worden gevolgd. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het vonnis van niet-ontvankelijkheid in stand blijft.
Uitkomst: Het verzoek tot herroeping van het faillissementsvonnis wordt niet-ontvankelijk verklaard en het cassatieberoep verworpen.