ECLI:NL:PHR:2004:AQ8461

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01414/04 U
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11.2.b BUVArt. 12 BUVArt. 74 OverleveringswetArt. 34 Uitleveringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt ontoelaatbaarverklaring uitleveringsverzoek wegens onvoldoende feitomschrijving

In deze zaak betreft het een uitleveringsverzoek van België gericht op de uitlevering van een persoon wegens valsheid in geschriften, gebruik en oplichting. De rechtbank te Assen verklaarde het verzoek in eerste instantie ontoelaatbaar vanwege een te summiere feitomschrijving, waardoor niet kon worden beoordeeld of sprake was van strafbare gedragingen volgens het Beneluxverdrag.

Na toevoeging van het Belgische strafdossier aan het verzoek, handhaafde de rechtbank de ontoelaatbaarverklaring omdat volgens haar niet duidelijk was voor welke feiten uitlevering werd gevraagd. De Officier van Justitie stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing.

De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank een verkeerde uitleg gaf aan art. 11, tweede lid, onder b, juncto art. 12 van Pro het Beneluxverdrag. Het toegezonden strafdossier moet worden gezien als noodzakelijke aanvulling op de feitomschrijving, zodat de Nederlandse autoriteiten kunnen beoordelen of de feiten strafbaar zijn. De aanwezigheid van meer feiten in het dossier dan in de feitomschrijving doet hieraan niet af.

De Hoge Raad vernietigt daarom het vonnis en beveelt de rechtbank aan om opnieuw te oordelen over de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek, waarbij het strafdossier in de beoordeling moet worden betrokken.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en beveelt hernieuwde beoordeling van de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek met inachtneming van het strafdossier.

Conclusie

Nr. 01414/04 U
mr. N. Keijzer
zitting 17 augustus 2004 (bij vervroeging)
conclusie inzake
[de opgeëiste persoon]
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij brief van 6 juni 2002 is door het Belgische ministerie van justitie de uitlevering van [de opgeëiste persoon] gevraagd ter strafvervolging "wegens valsheid in geschriften en gebruik en oplichting". Bij die brief is onder meer een uiteenzetting der feiten gevoegd, waarop 11 feiten zijn vermeld.
Bij uitspraak van 8 november 2002 heeft de Rechtbank te Assen de door België verzochte uitlevering van [de opgeëiste persoon] ontoelaatbaar verklaard, omdat naar haar oordeel de omschrijving der feiten zo summier was dat aan de hand daarvan niet viel te beoordelen of er sprake was van strafbare gedragingen, zodat de stukken niet voldeden aan het vereiste van art. 11, tweede lid aanhef en onder b, Beneluxverdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken (BUV).
Bij arrest van 15 april 2003, zaaknummer 2828/02 U, heeft Uw Raad het door de Officier van Justitie tegen die uitspraak ingestelde cassatieberoep verworpen.
Op 5 december 2003 heeft de Officier van Justitie op de voet van art. 34 Uitleveringswet Pro opnieuw behandeling gevorderd van het uitleveringsverzoek, waaraan inmiddels van de Belgische autoriteiten ontvangen stukken waren toegevoegd, te weten het desbetreffende strafdossier.
Bij de thans bestreden uitspraak van 23 april 2004 heeft de Rechtbank te Assen de door België verzochte uitlevering van [de opgeëiste persoon] wederom ontoelaatbaar verklaard.
2. Tegen de laatstgenoemde uitspraak van de Rechtbank te Assen heeft de Officier van Justitie aldaar op 29 april 2004 cassatieberoep ingesteld. Bij tijdig ingediende schriftuur heeft de Officier een middel tot cassatie voorgesteld.
3. Na de bestreden uitspraak, namelijk op 12 mei 2004, is de Overleveringswet(1) in werking getreden. Volgens art. 74, eerste lid, van die wet treedt deze in de relatie met de lidstaten van de Europese Unie in de plaats van de Uitleveringswet en van de in de relatie tussen Nederland en de lidstaten van de Europese Unie geldende verdragen inzake de uitlevering. Art. 74, vierde lid, Overleveringswet houdt echter in dat, in gevallen waarin de stukken betreffende een uitleveringsverzoek vóór het tijdstip van het in werking treden van de Overleveringswet zijn ontvangen door de Minister van Justitie, op de behandeling van het verzoek en op de in verband daarmee te nemen beslissingen de Uitleveringswet van toepassing blijft. Dit moet kennelijk aldus worden opgevat dat in die gevallen onder meer art. 74, eerste lid, Overleveringswet buiten toepassing blijft, zodat het uitleveringsverzoek dan op de voet van daar genoemde internationale instrumenten kan worden afgedaan.(2) Het onderhavige uitleveringsverzoek is, blijkens een daarop geplaatst stempel, door de Minister van Justitie ontvangen op 10 juni 2002. Het kan derhalve op de voet van de Uitleveringswet en onder andere het Beneluxverdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken worden afgedaan.
4. De Rechtbank heeft de onderhavige ontoelaatbaarverklaring als volgt gemotiveerd:
"De rechtbank stelt vast dat de uiteenzetting van de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd, ten opzichte van de uitspraak van de rechtbank d.d. 8 december(3) 2002, niet is gewijzigd. De officier van justitie heeft wel een Belgisch strafdossier aan de stukken toegevoegd en zelf een overzicht gemaakt van strafbare feiten naar Nederlands recht, maar uit een en ander blijkt niet ter zake van welke feiten uit de overgelegde Belgische dossiers uitlevering wordt gevraagd te meer nu bij globale beschouwing van het dossier zou kunnen worden geconstateerd dat meer feiten in het dossier aan de orde zijn dan waarop de - ongenoegzame - uiteenzetting der feiten betrekking heeft. De omstandigheid dat de officier van justitie zijn schriftelijke samenvatting aan de Belgische justitie heeft toegestuurd en de summiere reactie daarop doet daar niet aan af. Er kan in ieder geval niet worden gesproken van toevoegen van stukken door de verzoekende staat (vide in dit verband NJ 1981/47). De bij het uitleveringsverzoek overgelegde stukken zijn derhalve nog steeds ongenoegzaam."
5. Het middel keert zich tegen deze overweging en betoogt in hoofdzaak dat het door de Belgische autoriteiten overgelegde strafdossier slechts een verduidelijking is van de opgave der feiten die is vervat in de bij het bevel tot aanhouding behorende uiteenzetting der feiten.
6. Inderdaad heeft de Rechtbank blijk gegeven van een verkeerde opvatting omtrent art. 11, tweede lid aanhef en onder b, juncto art. 12 BUV Pro. Gelet op deze verdragsbepalingen, in onderling verband bezien, kan de toezending door de Belgische autoriteiten van het strafdossier slechts worden beschouwd als het verschaffen van de noodzakelijke aanvulling op de inlichtingen die zijn vervat in de bij het bevel tot aanhouding behorende uiteenzetting der feiten, ten einde de aangezochte Partij - Nederland - in staat te stellen omtrent de in die uiteenzetting genoemde feiten te kunnen beslissen overeenkomstig het verdrag. De eerstgenoemde verdragsbepaling staat er niet aan in de weg bij die beslissing, naast de gegevens die zijn vermeld in het daar bedoelde overzicht van de feiten, ook gegevens te betrekken die zijn neergelegd in andere door de verzoekende staat overgelegde stukken.(4)
7. De door de Rechtbank gereleveerde omstandigheid dat in het overgelegde strafdossier meer feiten aan de orde zijn dan in de uiteenzetting der feiten waarnaar in het uitleveringsverzoek wordt verwezen doet aan het voorgaande niet af.
8. Naar het arrest van Uw Raad van 5 februari 1980, NJ 1981, 47, verwijst de Rechtbank in dit verband ten onrechte, aangezien in die zaak de stukken ongenoegzaam werden verklaard omdat de noodzakelijke aanvullende inlichtingen - anders dan het onderhavige Belgische strafdossier - niet waren verkregen van de verzoekende staat.
9. Het middel gegrond achtende concludeer ik dat Uw Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en [de opgeëiste persoon] zal oproepen ter zitting van Uw Raad teneinde, doende wat de Rechtbank had behoren te doen, opnieuw te oordelen over de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering.
Voor de Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Waarnemend Advocaat-Generaal
1 Wet van 29 april 2004, Stb. 195.
2 Vgl. HR 1 juni 2004, LJN-nummer AO9133.
3 Kennelijk is bedoeld: november.
4 Vgl. HR 13 december 1979, NJ 1980, 218, en met betrekking tot het toenmalige uitleveringsverdrag met Frankrijk: HR 23 juli 1973, NJ 1973, 483.