ECLI:NL:PHR:2004:AQ8478
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen burgerpseudokoop bij terugkoop gestolen schilderijen
In deze strafzaak is cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte is veroordeeld voor medeplegen van opzetheling van gestolen schilderijen. Het centrale geschilpunt betrof de toepassing van artikel 126ij van het Wetboek van Strafvordering, dat de voorwaarden regelt waaronder burgers kunnen worden ingezet bij opsporingsonderzoeken door goederen van verdachten af te nemen.
De verdediging voerde aan dat sprake was van een burgerpseudokoop, waarbij het openbaar ministerie niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard. Volgens de verdediging was de terugkoop van de schilderijen door een medewerker van een veilinghuis, die aanwijzingen van politie en OM had gekregen, een door de autoriteiten geregisseerde aankoop. Het hof oordeelde echter dat het initiatief tot terugkoop was uitgegaan van de medeverdachte en dat de politie slechts een adviserende rol had, waardoor geen sprake was van een burgerpseudokoop.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat artikel 126ij Sv vereist dat het initiatief voor de aankoop of dienstverlening door de officier van justitie moet zijn genomen. Omdat dit niet het geval was, is het beroep op niet-ontvankelijkheid van het OM ongegrond. Daarnaast is het bewijs dat verdachte bewust heeft samengewerkt met mededaders om de gestolen schilderijen over te dragen, voldoende onderbouwd en niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor medeplegen van opzetheling en verwerpt het cassatieberoep.