ECLI:NL:PHR:2004:AQ8808
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid cassatieberoep bij ongeldige appèldagvaarding
In deze zaak staat de geldigheid van de appèldagvaarding centraal. De verdachte werd door het gerechtshof veroordeeld voor mishandeling en bedreiging. De appèldagvaarding vermeldde dat deze in persoon was uitgereikt, maar in cassatie wordt aangevoerd dat dit niet het geval was en dat de verdachte de uitreikingsakte niet heeft ondertekend. Tevens is er een verschil in het nummer van het identiteitsbewijs.
De Hoge Raad acht aannemelijk dat de appèldagvaarding niet in persoon is uitgereikt, waardoor deze niet geldig betekend is. Desondanks wordt de verdachte ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep. Het middel dat klaagt over de geldigheid van de appèldagvaarding wordt als terecht beschouwd.
De procedurele vraag is of de niet-geldige betekening leidt tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Hoewel art. 432 lid 1 sub a Sv Pro bepaalt dat beroep in cassatie binnen veertien dagen na de einduitspraak moet worden ingesteld, is hier het cassatieberoep pas na die termijn ingesteld. Toch acht de Hoge Raad de verdachte ontvankelijk, omdat de betekening niet geldig was. Dit arrest verduidelijkt de eisen aan de betekening van appèldagvaardingen en de gevolgen daarvan voor de ontvankelijkheid in cassatie.
Uitkomst: Verdachte is ontvankelijk in het cassatieberoep ondanks ongeldige betekening van de appèldagvaarding.