ECLI:NL:PHR:2004:AQ8808

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02070/03
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 432 lid 1 sub a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid cassatieberoep bij ongeldige appèldagvaarding

In deze zaak staat de geldigheid van de appèldagvaarding centraal. De verdachte werd door het gerechtshof veroordeeld voor mishandeling en bedreiging. De appèldagvaarding vermeldde dat deze in persoon was uitgereikt, maar in cassatie wordt aangevoerd dat dit niet het geval was en dat de verdachte de uitreikingsakte niet heeft ondertekend. Tevens is er een verschil in het nummer van het identiteitsbewijs.

De Hoge Raad acht aannemelijk dat de appèldagvaarding niet in persoon is uitgereikt, waardoor deze niet geldig betekend is. Desondanks wordt de verdachte ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep. Het middel dat klaagt over de geldigheid van de appèldagvaarding wordt als terecht beschouwd.

De procedurele vraag is of de niet-geldige betekening leidt tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Hoewel art. 432 lid 1 sub a Sv Pro bepaalt dat beroep in cassatie binnen veertien dagen na de einduitspraak moet worden ingesteld, is hier het cassatieberoep pas na die termijn ingesteld. Toch acht de Hoge Raad de verdachte ontvankelijk, omdat de betekening niet geldig was. Dit arrest verduidelijkt de eisen aan de betekening van appèldagvaardingen en de gevolgen daarvan voor de ontvankelijkheid in cassatie.

Uitkomst: Verdachte is ontvankelijk in het cassatieberoep ondanks ongeldige betekening van de appèldagvaarding.

Conclusie

Nr. 02070/03
Mr Jörg
Zitting 31 augustus 2004
Conclusie inzake:
[verzoekster=verdachte]
1. Verzoekster is door het gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 21 januari 2002 wegens 1. "mishandeling gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd" en 2. subsidiair "bedreiging met zware mishandeling veroordeeld tot één maand gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een geldboete van € 220,-, subsidiair vier dagen hechtenis, met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] afgewezen en de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toegewezen tot een bedrag van € 75,- en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd ten belope van hetzelfde bedrag, subsidiair één dag hechtenis
2. Namens verzoekster heeft mr W.H.M. Ummels, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
3. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. De akte van uitreiking van de voor verzoekster bestemde appèldagvaarding houdt in dat de appèldagvaarding op 22 november 2001 aan verzoekster in persoon is uitgereikt. Het hof heeft arrest gewezen op 21 januari 2002. Eerst op 17 april 2003 is namens verzoekster beroep in cassatie ingesteld.
4. Nu de appèldagvaarding aan verzoekster in persoon is uitgereikt en er niet door of namens haar binnen veertien dagen na de einduitspraak beroep in cassatie is ingesteld, kan verzoekster, gelet op het bepaalde in art. 432 lid 1 sub a Sv Pro, niet in het beroep worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat verzoekster niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG