ECLI:NL:PHR:2004:AQ8838
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vervolging bijstandsfraude in strijd met richtlijn sociale zekerheidsfraude wegens ontbreken recidive
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem waarin verdachte werd veroordeeld voor bijstandsfraude. Centrale vraag was of het openbaar ministerie ontvankelijk was in de vervolging, gelet op de richtlijn sociale zekerheidsfraude die bepaalt dat zaken met een nadeel tot €6.000 in beginsel bestuurlijk worden afgedaan, tenzij sprake is van aantoonbare recidive binnen vijf jaar.
Verdachte voerde aan dat het OM niet ontvankelijk had moeten worden verklaard omdat zij eerder was vrijgesproken van een soortgelijk feit en er geen bestuurlijke boete of veroordeling was die recidive kon aantonen. Het hof verwierp dit verweer, stellende dat het feit dat verdachte eerder in aanraking was gekomen met politie en justitie voldoende was voor vervolging.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte het enkele feit van een eerdere proces-verbaal en vrijspraak gelijkstelde aan recidive, terwijl de richtlijn expliciet vereist dat sprake moet zijn van een bestuurlijke boete, transactie of veroordeling. Bovendien ontbrak een gemotiveerde toelichting van het OM waarom strafrechtelijke vervolging passend was ondanks het verweer.
De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar een ander hof voor hernieuwde beoordeling, waarbij het OM gehouden is de richtlijn correct toe te passen en het vertrouwensbeginsel van verdachte te respecteren.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug wegens onjuiste toepassing van de richtlijn sociale zekerheidsfraude.