ECLI:NL:PHR:2004:AQ8921

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00401/04 P
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt niet-ontvankelijkverklaring OM wegens overschrijding redelijke termijn in profijtontnemingszaak

In deze zaak heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Het hof stelde dat de overschrijding van ruim drie jaar tussen het instellen van hoger beroep en de uitspraak en de elf maanden tussen het instellen van hoger beroep en het inkomen van stukken zodanig waren dat niet-ontvankelijkheid gerechtvaardigd was.

De advocaat-generaal bij de Hoge Raad stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing. Hij betoogde dat het hof ten onrechte tot niet-ontvankelijkheid was gekomen en dat het oordeel onvoldoende was gemotiveerd. Volgens vaste jurisprudentie leidt overschrijding van de redelijke termijn in de regel tot strafvermindering en alleen in uitzonderlijke gevallen tot niet-ontvankelijkheid van het OM.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet had voldaan aan de zware motiveringsplicht die geldt voor een dergelijke uitzonderlijke beslissing. Het hof had bijzondere omstandigheden moeten aangeven die niet-ontvankelijkheid rechtvaardigen, maar had dit nagelaten. Ook was het oordeel van het hof over de berekening van de redelijke termijn onjuist.

De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het hof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling en afdoening van het beroep op de bestaande stukken.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest dat het OM niet-ontvankelijk verklaarde wegens overschrijding van de redelijke termijn en verwijst de zaak terug naar het hof.

Conclusie

Nr. 00401/04 P
Mr Jörg
Zitting 31 augustus 2004
Conclusie inzake:
[betrokkene]
1. Het openbaar ministerie is door het gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 3 november 2003 niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. Tegen deze uitspraak heeft de advocaat-generaal bij het hof cassatieberoep ingesteld. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt - onder verwijzing naar onder meer HR 11 juni 2002, NJ 2002, 582 - dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in zijn vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro, althans dat dit oordeel onvoldoende is gemotiveerd.
4. Het heeft met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid als volgt geoordeeld:
"Ter terechtzitting in hoger beroep van 20 oktober 2003 is gebleken dat sedert het instellen van hoger beroep tegen de beslissing van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage d.d. 10 maart 2000 tot aan het moment van behandeling op de terechtzitting van dit hof van 20 oktober 2003 een periode van drie jaren en zeven maanden is verstreken. Daarnaast is sedert het instellen van hoger beroep tot aan het moment van binnenkomst van het dossier bij het hof op 14 februari 2001 een periode van 11 maanden verstreken. Deze overschrijdingen van de redelijke termijn zijn zodanig dat, nu er overigens geen sprake is van bijzondere omstandigheden die verband houden met de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de veroordeelde of diens raadsman op het proces-verloop of een voortvarende behandeling aan de kant van het openbaar ministerie, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De mate van termijnoverschrijding is van dien aard dat verdiscontering in de hoogte van een op te leggen ontnemingsbedrag naar 's Hofs oordeel niet aan de orde is. Dit brengt mee dat de beslissing waarvan beroep moet worden vernietigd."
5. Uit het hierboven weergegeven proces-verloop volgt dat:
- tussen het tijdstip van het instellen van het hoger beroep tot aan het tijdstip van ontvangst van het dossier door het hof een periode van elf maanden is verstreken; en
- dat het hof eerst na bijna drie jaar en acht maanden na het instellen van het appèl arrest heeft gewezen.
6. In de regel behoort overschrijding van de redelijke termijn te leiden tot strafvermindering. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen zal de termijnschending kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Voor die beslissing gelden zware motiveringseisen (vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721).
7. In de door het hof gegeven motivering van de niet-ontvankelijkheidsbeslissing worden geen extreme omstandigheden genoemd die meebrengen dat de termijnoverschrijding een zo uitzonderlijke beslissing als niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie rechtvaardigt. Aan de door Uw Raad opgelegde zware motiveringsverplichting wordt niet voldaan door te constateren dat de redelijke termijn voor de behandeling van strafzaken per afzonderlijke instantie is overschreden met een termijn van een jaar en zeven maanden en dat die overschrijding niet uit bijzondere omstandigheden kan worden verklaard. Het hof had integendeel zelf bijzondere omstandigheden moeten formuleren die meebrachten waarom niet met strafvermindering op de overschrijding van de redelijke termijn kon worden volstaan. Zonder nadere motivering, welke ontbreekt, is niet begrijpelijk waarom strafvermindering niet een passende sanctie zou zijn. 's Hofs arrest is derhalve niet voldoende met redenen omkleed (zie ook HR 27 april 2004, LJN-nummer AO6460).
8. Bij een overschrijding van de termijn van 24 maanden voor de behandeling en afronding van een strafzaak per instantie legt mijns inziens de overschrijding van de inzendtermijn van acht maanden niet apart ook nog gewicht in de schaal. Dat doet het alleen als binnen die, nog als redelijk te bestempelen, periode de inzending niet binnen acht maanden heeft plaats gevonden (zie HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, m.nt. JdH, r.o. 3.5). In zoverre geeft het oordeel van het hof ook blijk van een verkeerde rechtsopvatting. Dat is eveneens het geval met het oordeel dat voor de berekening van de redelijke termijn de dag van de terechtzitting beslissend is (zie HR NJ 2000, 721, r.o. 3.14).
9. Het middel slaagt.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande beroep alsnog te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG