ECLI:NL:PHR:2004:AQ8928

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00625/04
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14g.1 SrArt. 14i SrArt. 279 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid raadsman bij niet verschenen verdachte en behandeling vordering tenuitvoerlegging

In deze zaak bevestigde het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank waarbij verzoeker wegens medeplegen van verduistering werd veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf met een voorwaardelijke straf.

Verzoeker was niet verschenen bij de terechtzitting in hoger beroep, terwijl zijn raadsvrouw zonder uitdrukkelijke volmacht aanwezig was en verzocht om aanhouding van de zaak om verzoeker alsnog te kunnen bereiken of gemachtigd te worden. Het hof wees dit verzoek af omdat het niet aannemelijk was dat verzoeker binnen afzienbare tijd bereikt kon worden.

De Hoge Raad overwoog dat van een verdachte die in hoger beroep is gekomen mag worden verwacht dat hij de gebruikelijke maatregelen neemt om oproepingen te ontvangen, waaronder bereikbaar zijn voor zijn raadsman. Omdat de raadsvrouw geen contact meer had met verzoeker en niet wist waar hij verbleef, was het niet onbegrijpelijk dat het hof het verzoek tot aanhouding afwees.

Verder oordeelde de Hoge Raad dat het machtigingsvereiste voor het voeren van de verdediging (art. 279 Sv Pro) ook geldt bij de behandeling van een vordering tot tenuitvoerlegging (art. 14i Sr) indien deze vordering gelijktijdig met de strafzaak wordt behandeld. Hierdoor was de raadsvrouw niet bevoegd verzoeker bij te staan bij de behandeling van die vordering zonder uitdrukkelijke volmacht.

De conclusie van de procureur-generaal strekte tot verwerping van het beroep, en de Hoge Raad vond geen gronden om het bestreden arrest te vernietigen.

Uitkomst: Het beroep van verzoeker wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.

Conclusie

Nr. 00625/04
Mr Jörg
Zitting 31 augustus 2004
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 16 januari 2004 het vonnis van de rechtbank aldaar bevestigd, waarbij verzoeker wegens medeplegen van verduistering veroordeeld werd tot twee maanden gevangenisstraf. Voorts werd de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijke straf.
2. Namens verzoeker heeft mr G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt dat de afwijzing van het aanhoudingsverzoek onbegrijpelijk is.
4. Het proces-verbaal terechtzitting hoger beroep houdt, voor zover van belang, het volgende in:
"De raadsvrouw verzoekt om aanhouding van de behandeling van de zaak zodat òf verdachte alsnog kan verschijnen òf de raadsvrouw alsnog bepaaldelijk gevolmachtigd kan worden. Zij verklaart desgevraagd dat zij niet op de hoogte is van het adres van verdachte, maar dat zij zal trachten hem te bereiken.
De advocaat-generaal verzet zich tegen aanhouding.
Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek tot aanhouding van de zaak wordt afgewezen. Het hof acht het, mede gelet op het feit dat de datum van het onderzoek ter terechtzitting van heden reeds begin december 2003 bekend was bij de raadsvrouw en het feit dat de raadsvrouw heden ter terechtzitting geen duidelijkheid heeft kunnen verschaffen omtrent de verblijfplaats van verdachte, niet aannemelijk dat verdachte wel op een nadere terechtzitting zal verschijnen, dan wel binnen afzienbare tijd bereikt zal kunnen worden door de raadsvrouw teneinde haar bepaaldelijk te kunnen volmachtigen."
5. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat 's hofs oordeel onbegrijpelijk is, aangezien daaraan de veronderstelling ten grondslag ligt dat de raadsvrouw gedurende de zes weken dat zij bekend was met de zittingsdatum in hoger beroep alle mogelijkheden heeft uitgeput verzoeker te bereiken. Voor die veronderstelling zou geen grondslag te vinden zijn in haar verklaring.
6. Uit de stukken blijkt het volgende:
- In eerste aanleg is de dagvaarding in persoon uitgereikt. Blijkens het proces-verbaal terechtzitting eerste aanleg is door de raadsman van verzoeker om aanhouding verzocht, omdat verzoeker niet op de geplande zittingsdatum aanwezig kon zijn wegens werkzaamheden die niet op korte termijn konden worden verzet. De politierechter heeft het verzoek afgewezen en de zaak bij verstek behandeld.
- Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld en daarbij als adres opgegeven: [a-straat 1] te [plaats B] opgegeven.
- De dagvaarding in hoger beroep kon op het in de appelakte opgegeven adres niet worden betekend, omdat verzoeker daar niet woonde volgens degene die zich op het adres bevond.
- Volgens het GBA-overzicht is verzoeker per 09-09-2003 geëmigreerd. In het GBA-overzicht is niet opgenomen naar welk land verzoeker zou zijn vertrokken.
- De dagvaarding in hoger beroep is vervolgens aan de griffier betekend en per gewone brief verzonden naar het in de appèlakte opgegeven adres.
- Verzoeker is niet verschenen ter terechtzitting in hoger beroep. Wel is verschenen de niet uitdrukkelijk gemachtigde raadsvrouw van verzoeker. Zij verzoekt blijkens het proces-verbaal om aanhouding. Zij geeft daarbij desgevraagd aan niet op de hoogte te zijn van het adres van verzoeker, maar dat zij zal trachten hem te bereiken.
7. Bij de beoordeling van de klacht moet worden vooropgesteld dat van degene die zelf in hoger beroep is gekomen en die prijs stelt op berechting in zijn aanwezigheid redelijkerwijs mag worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat een oproeping hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt (vgl. HR 15 september 1997, NJ 1998, 115). Tot een zodanige maatregel kan worden gerekend dat een verdachte zich voor zijn raadsman - die uit eigen hoofde een afschrift van oproepingen ontvangt - bereikbaar houdt, opdat de verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van de behandeling op de hoogte raakt (vgl. HR 25 september 2001, NJ 2002, 83).
8. Uit hetgeen blijkens het proces-verbaal terechtzitting door de raadsvrouw is aangevoerd, valt op te maken dat zij kennelijk geen contact meer heeft gehad met verzoeker en dat zij niet op de hoogte is van de woon- of verblijfplaats van verzoeker. Zij deelt mede dat zij zal trachten verzoeker te bereiken.
9. Anders dan de steller van het middel meent, ligt aan het oordeel van het hof niet de veronderstelling ten grondslag dat de raadsvrouw alle mogelijkheden om verzoeker te bereiken heeft uitgeput. Gelet op het feit dat er geen woon- of verblijfplaats van verzoeker bekend is, verzoeker geen contact heeft onderhouden met zijn raadsvrouw, de raadsvrouw niet op de hoogte is van het adres van verzoeker en het feit dat zij slechts aangeeft dat zij zal trachten verzoeker te bereiken, is het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk van oordeel dat het niet aannemelijk is dat verzoeker wel op een nadere terechtzitting zal verschijnen, dan wel binnen afzienbare termijn bereikt zal kunnen worden door zijn raadsvrouw teneinde haar bepaaldelijk te volmachtigen.
10. Het middel faalt.
11. Hoewel een conclusie eigenlijk niet de plaats is om vragen aan de schrijver van een cassatieschriftuur te stellen, ben ik benieuwd te vernemen in welk opzicht het hof contra legem handelde door de raadsvrouw het woord te verlenen voor een verzoek tot aanhouding in verband met een hernieuwde oproeping van verzoeker of een door haar te verkrijgen machtiging tot het voeren van de verdediging. Ik kan zulks niet in het in het middel genoemde arrest lezen.
12. Het tweede middel klaagt dat de raadsvrouw van verzoeker ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld verzoeker bij te staan in het kader van de behandeling van de vordering tenuitvoerlegging.
13. In de toelichting op het middel wordt erop gewezen dat het machtigingsvereiste als bedoeld in art. 279 Sv Pro uitsluitend betrekking heeft op het voeren van de verdediging ten behoeve van een verdachte en niet op het verlenen van bijstand aan een veroordeelde als bedoeld in art. 14i Sr.
14. Indien een vordering tot tenuitvoerlegging los van een nieuwe strafzaak bij de rechter aanhangig wordt gemaakt ben ik geneigd mij bij het middel aan te sluiten. Het belang dat art. 279 Sv Pro beoogt te dienen ontbreekt bij de behandeling van de tul-vordering en in de wetsgeschiedenis heb ik geen aanknopingspunt kunnen vinden voor het aan de raadsman onthouden van het woord bij de behandeling van deze vordering. Het ontbreken van een rechtsmiddel tegen de 'losse' tul-beslissing rechtvaardigt ook het maken van een onderscheid met het navolgende geval.
15. In het onderhavige geval is (in de woorden van de betreurde G.E. Mulder in zijn noot onder HR 6 november 1990, NJ 1991, 275) de tul-zaak tot een niet meer van de strafzaak te scheiden eenheid versmolten. Die versmelting laat mijns inziens niet toe ten aanzien van de bijstand omtrent de tul-vordering een ander standpunt inzake het machtigingsvereiste in te nemen dan omtrent de verdediging tegen de tenlastelegging. Daarbij komt dat er vrijwel altijd een tweede kans (appèl) bestaat.
16. Het middel, dat van een andere opvatting uitgaat, faalt mijns inziens dan ook.
17. Gronden waarop de Hoge Raad ambtshalve de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het bestreden beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG