ECLI:NL:PHR:2004:AQ8928
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid raadsman bij niet verschenen verdachte en behandeling vordering tenuitvoerlegging
In deze zaak bevestigde het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank waarbij verzoeker wegens medeplegen van verduistering werd veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf met een voorwaardelijke straf.
Verzoeker was niet verschenen bij de terechtzitting in hoger beroep, terwijl zijn raadsvrouw zonder uitdrukkelijke volmacht aanwezig was en verzocht om aanhouding van de zaak om verzoeker alsnog te kunnen bereiken of gemachtigd te worden. Het hof wees dit verzoek af omdat het niet aannemelijk was dat verzoeker binnen afzienbare tijd bereikt kon worden.
De Hoge Raad overwoog dat van een verdachte die in hoger beroep is gekomen mag worden verwacht dat hij de gebruikelijke maatregelen neemt om oproepingen te ontvangen, waaronder bereikbaar zijn voor zijn raadsman. Omdat de raadsvrouw geen contact meer had met verzoeker en niet wist waar hij verbleef, was het niet onbegrijpelijk dat het hof het verzoek tot aanhouding afwees.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat het machtigingsvereiste voor het voeren van de verdediging (art. 279 Sv Pro) ook geldt bij de behandeling van een vordering tot tenuitvoerlegging (art. 14i Sr) indien deze vordering gelijktijdig met de strafzaak wordt behandeld. Hierdoor was de raadsvrouw niet bevoegd verzoeker bij te staan bij de behandeling van die vordering zonder uitdrukkelijke volmacht.
De conclusie van de procureur-generaal strekte tot verwerping van het beroep, en de Hoge Raad vond geen gronden om het bestreden arrest te vernietigen.
Uitkomst: Het beroep van verzoeker wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.