ECLI:NL:PHR:2004:AR1213
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt hoofdverblijfplaats kinderen bij moeder en alimentatieverplichtingen na echtscheiding
De zaak betreft een echtscheidingsgeschil tussen de man en vrouw, waarbij de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de omgangsregeling, en alimentatieverplichtingen centraal stonden. De rechtbank had de echtscheiding uitgesproken en een regeling getroffen waarbij de kinderen hun hoofdverblijfplaats afwisselend bij beide ouders zouden hebben, met een omgangsregeling en alimentatieverplichtingen voor de man.
De vrouw stelde in hoger beroep verzoeken tot wijziging van deze regeling, met name het handhaven van de hoofdverblijfplaats bij haar en het vaststellen van alimentatie. De man bestreed deze verzoeken en stelde onder meer dat de vrouw misbruik maakte van haar positie en dat zijn ouderlijke autonomie werd geschonden door de alimentatieverplichtingen. Ook voerde hij een samenlevingsverweer op grond van artikel 1:160 BW Pro.
Het hof vernietigde de eerdere beschikking en stelde de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw vast, evenals de omgangsregeling en alimentatieverplichtingen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn taak als appelrechter niet had verzaakt, de motivering voldoende was en dat de alimentatieverplichtingen rechtens waren gefundeerd. Het samenlevingsverweer van de man faalde omdat de partner van de vrouw niet ongehuwd was in de relevante periode. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van de man niet-ontvankelijk.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk en bevestigt de hoofdverblijfplaats bij de moeder en de alimentatieverplichtingen van de vader.