ECLI:NL:PHR:2004:AR1289
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over inbreng eenmanszaak in besloten vennootschap en cessie van vordering
In deze zaak staat centraal of de inbreng van een eenmanszaak in een besloten vennootschap (BV) automatisch leidt tot een goederenrechtelijke levering van activa en passiva, waaronder een vordering op eisers. De Bank had een bankgarantie gesteld ten behoeve van derden, waarbij eisers hoofdelijk aansprakelijk waren. Verweerder, oorspronkelijk advocaat en raadsman van eisers, had betaling aan de bank verricht en stelde dat de vordering op eisers was ingebracht in zijn BV.
De rechtbank verwierp het verweer dat de vordering aan de BV was overgedragen en kende de vordering toe aan verweerder persoonlijk. Het hof bevestigde dit oordeel, waarna eisers cassatie instelden. De Hoge Raad stelt dat inbreng niet gelijk is aan levering, maar dat levering vaak vereist is voor de voldoening van de inbrengschuld. Het hof had terecht geoordeeld dat niet was gebleken dat verweerder de vordering aan zijn BV had gecedeerd, omdat de akte van oprichting geen ondubbelzinnige cessie bevatte.
De Hoge Raad concludeert dat het cassatieberoep moet worden verworpen omdat het oordeel van het hof dat eisers niet aan hun stelplicht hadden voldaan, niet onbegrijpelijk is. De zaak benadrukt het onderscheid tussen inbreng en levering en de noodzaak van duidelijke cessie voor overdracht van vorderingen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat geen ondubbelzinnige cessie van de vordering aan de BV is gebleken.