ECLI:NL:PHR:2004:AR1830

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00238/04
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36d SrArt. 140 SrArt. 353 Sv (oud)Art. 116 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest onttrekking wapen bij veroordeling deelneming organisatie harddrugshandel

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem, waarin verdachte is veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf waarvan vijf voorwaardelijk wegens deelneming aan een organisatie die zich bezighield met handel in cocaïne en heroïne.

Het hof heeft tevens verbeurdverklaard een geldbedrag en onttrekking aan het verkeer gelast van een inbeslaggenomen wapen dat bij het onderzoek werd aangetroffen. De Hoge Raad beoordeelt de motivering van het hof met betrekking tot de verbeurdverklaring van het geldbedrag als toereikend, mede omdat verdachte daartegen geen verweer heeft gevoerd.

Echter, de Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het wapen onttrokken moest worden aan het verkeer op grond van art. 36d Sr. Volgens de jurisprudentie moet het wapen kunnen dienen tot het begaan of voorbereiden van soortgelijke feiten, maar overtredingen van de Wet wapens en munitie behoren niet tot dezelfde categorie als overtredingen van de Opiumwet. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het de onttrekking aan het verkeer van het wapen betreft.

De Hoge Raad laat de rest van het arrest in stand en geeft aan dat een zelfstandige vordering tot onttrekking van het wapen kan worden ingediend. Tevens wordt opgemerkt dat de procedurele mogelijkheid tot 'niet in staat verklaren' bij art. 353 Sv Pro (oud) ontbreekt, wat in de praktijk tot problemen leidt bij de teruggave van wapens.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van het arrest voor het deel van de onttrekking aan het verkeer van het wapen en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor wat betreft de onttrekking aan het verkeer van het wapen wegens onvoldoende motivering; de rest van het arrest blijft in stand.

Conclusie

Nr. 00238/04
Mr. Vellinga
Zitting: 7 september 2004
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.
2. Namens verdachte heeft mr. D. Zeewuster, advocaat te Arnhem, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof de verbeurdverklaring van een geldbedrag niet naar behoren heeft gemotiveerd.
4. Blijkens zijn arrest heeft het Hof verbeurdverklaard de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven geldbedragen van in totaal € 181,11 en daartoe overwogen:
"Het na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag, volgens opgave van verdachte aan haar toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is dat geheel of grotendeels door middel van het telastegelegde en bewezenverklaarde strafbare feit is verkregen.
Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte."
5. Blijkens de toelichting betoogt het middel dat 's Hofs oordeel dat het een voorwerp betreft dat geheel of grotendeels door middel van het tenlastegelegde en bewezenverklaarde strafbare feit is verkregen, onbegrijpelijk is nu noch uit de stukken van het geding noch uit het verhandelde ter terechtzitting kan blijken van feiten of omstandigheden die tot 's Hofs oordeel kunnen leiden.
6. De wijze waarop het Hof de verbeurdverklaring heeft gemotiveerd is toereikend. Dat is anders indien ter zake enig verweer is gevoerd.(1) Hier doet zich dat laatste niet voor. Tegen de vordering van de Advocaat-Generaal bij het Hof, onder meer strekkende tot verbeurdverklaring van het bedrag aan geld dat het Hof heeft verbeurdverklaard is immers van de zijde van verdachte in zoverre geen enkele bezwaar gemaakt.
7. Overigens vindt de motivering van de bewezenverklaring steun in de stukken van het geding en is deze in het licht van de inhoud van die stukken, waarvan de korte inhoud ter terechtzitting is medegedeeld, niet onbegrijpelijk. Bij die stukken bevindt zich namelijk een "Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen" met betrekking tot verdachte [verdachte]. Blijkens deze lijst zijn inbeslaggenomen, voor zover thans van belang, een geldbedrag van € 150,00 en een geldbedrag van € 31,11. Voorts bevindt zich bij de stukken een "proces-verbaal doorzoeking" door de Rechter-Commissaris van 7 mei 2002, inhoudende, voor zover thans van belang, dat op 18 april 2002 onder verdachte inbeslaggenomen is een geldbedrag van € 31,11 met vermelding van verdachte als eigenaar (welk bedrag werd aangetroffen in een koekblik dat tevens bevatte een drietal bolletjes heroïne en 22 bolletjes cocaïne) en dat op 19 april 2002 onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen is een geldbedrag van € 580,- met eveneens vermelding van verdachte als eigenaar. Verder bevindt zich bij de stukken een "Beslissing over inbeslaggenomen voorwerpen" van 11 november 2002 van de Officier van Justitie. Deze beslissing - met betrekking tot verdachte - houdt in dat moeten worden gedeponeerd een geldbedrag van € 150,00 en een geldbedrag van € 31,11 en voorts dat ten aanzien van een geldbedrag van € 430,- moet worden gehandeld (overeenkomstig art. 116 Sv Pro) "als verbeurdverklaard." Voorts bevindt zich bij de stukken een proces-verbaal van 22 april 2002 (nummer PL0746/02-064140, dossier-paragraaf 2-1-37), inhoudende als verklaring van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven, dat het bij haar gevonden geld naar zij begreep met de drugshandel van verdachte (haar dochter) te maken had.
8. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
9. Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof de oplegging van de onttrekking aan het verkeer niet naar behoren heeft gemotiveerd.
10. Blijkens zijn arrest heeft het Hof de onttrekking aan het verkeer gelast van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een wapen, gelijkend op een pistool van het merk Smith & Wesson, model 745, en daartoe overwogen:
"Het na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven wapen, dat bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf is aangetroffen, aan verdachte toebehorende en kan dienen tot het begaan of voorbereiden van soortgelijke misdrijven, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit van een en ander in strijd is met het algemeen belang en de wet."
11. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:
"zij in de periode van medio 2001 tot en met 18 april 2002 te Wageningen, opzettelijk heeft deelgenomen aan de organisatie gevormd door haar, verdachte, en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van de handel in cocaïne en heroïne."
12. Ingevolge art. 36d Sr zijn vatbaar voor onttrekking, voor zover thans van belang, de aan de verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, indien de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten. Onder soortgelijke feiten in de zin van dit wetsartikel dienen volgens jurisprudentie van de Hoge Raad te worden verstaan feiten die tot dezelfde categorie behoren als de door de verdachte begane feiten dan wel de feiten waarvan hij wordt verdacht.(2)
13. Overtredingen van de Wet wapens en munitie behoren mijns inziens niet tot dezelfde categorie als overtredingen van de Opiumwet.(3) Niet zonder reden heeft de wapenwetgeving in een andere wet haar plaats gevonden dan de wetgeving betreffende verdovende middelen. De omstandigheid dat met name de georganiseerde handel in harddrugs nogal eens gepaard pleegt te gaan met wapengebruik maakt dit niet anders. Wapens vallen toch onder een heel ander wettelijk regime dan verdovende middelen.
14. Het middel slaagt. Mijns inziens kan worden volstaan met vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de onttrekking aan het verkeer van het wapen. Er is immers geen zelfstandige vordering tot onttrekking waarop afzonderlijk dient te worden beslist. Daarbij zou ik in overweging willen geven het in de praktijk door het ontbreken van de in art. 353 (oud) Sv voorkomende mogelijkheid tot "niet in staat verklaren" zo hinderlijke art. 353 Sv Pro maar even te laten voor wat het is.(4) Weliswaar noopt die bepaling tot het geven van een bevel tot teruggave nu verdachte de bekende rechthebbende is, maar op het moment van de teruggave zal het wapen onmiddellijk weer in beslag (kunnen) worden genomen omdat moet worden aangenomen dat het stellen van het wapen in handen van verdachte onmiddellijk een overtreding van de Wet wapens en munitie oplevert. Teruggave is dus een zinloze exercitie. Ter zake van onttrekking aan het verkeer van het wapen kan een afzonderlijke vordering worden ingediend.
15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest doch alleen voor wat betreft de beslissing tot onttrekking aan het verkeer, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 23 juni 1992, NJ 1993, 7, rov. 5.3
2 HR 6 oktober 1998, NJ 1999, 25. Zie voor meer jurisprudentie T. Kooijmans, op maat geregeld? (diss. EUR), 2002, p. 51, noot 58.
3 Aldus NLR ad art. 36e Sr, aant. 5, suppl. 123 (febr. 2004). Volgens NLR ad art. 36d, aant. 4, suppl 112 (juni 2003) is aannemelijk dat hetgeen bij art. 36e Sr onder soortgelijke misdrijven wordt verstaan ook van belang is voor de uitleg van het begrip soortgelijke misdrijven in art. 36d Sr.
4 Ik deel dus niet Wöretshofers standpunt (Melai, Wetboek van Strafvordering, aant. 1 ad art. 353 Sv Pro, suppl. 104, mei 1997) dat de mogelijkheid tot "niet in staat verklaren" als vermeld in art. 353 (oud) Sv wel gemist kan worden.