ECLI:NL:PHR:2004:AR1993
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling doorzoekingsbevoegdheid en bewijsuitsluiting bij huiszoeking op grond van art. 49 WWM
In deze zaak is aan de orde of de doorzoeking van de woning van verdachte, uitgevoerd zonder voorafgaande rechterlijke machtiging op grond van artikel 49 van Pro de Wet wapens en munitie (WWM), onrechtmatig was en of de verkregen bewijzen uitgesloten moeten worden. De politie ontving op 6 oktober 2000 informatie van de Centrale Inlichtingeneenheid (CIE) over vermoedelijk wapenbezit in de woning van verdachte. De woning werd op 19 oktober 2000 doorzocht zonder rechterlijke toetsing, waarna wapens en munitie werden aangetroffen en verdachte werd aangehouden.
Het hof oordeelde dat de doorzoeking onrechtmatig was omdat de politie geen rechterlijke toetsing had afgewacht, maar verwierp het verzoek tot bewijsuitsluiting. De Hoge Raad bevestigt dat bewijsuitsluiting slechts aan de orde is als een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Gezien het te goeder trouw handelen van de verbalisanten en de ernst van het feit, is bewijsuitsluiting niet gerechtvaardigd.
De Hoge Raad bespreekt ook de verhouding tussen de bevoegdheid tot doorzoeking op grond van art. 49 WWM Pro en de eisen van art. 8 EVRM Pro. Hoewel de wetgever bewust heeft afgeweken van het reguliere dwangmiddelenstelsel, stelt de Hoge Raad dat aanvullende waarborgen bij huiszoekingen in woningen noodzakelijk zijn om de proportionaliteit en rechtmatigheid te waarborgen. De zaak wordt afgesloten met de verwerping van het cassatieberoep.
Uitkomst: De doorzoeking was onrechtmatig, maar de bewijzen worden niet uitgesloten en de veroordeling blijft in stand.