ECLI:NL:PHR:2004:AR2104
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wettelijke grondslag fouillering op luchthaven Schiphol volgens art. 52 lid 4 WWM
In deze zaak stond centraal of de fouillering van verdachte op Schiphol, buiten het voor aankomst en vertrek van reizigers bestemde gedeelte van het luchtvaartterrein, rechtsgrond bood op grond van artikel 52 lid 4 van Pro de Wet wapens en munitie (WWM). Verdachte werd gefouilleerd in parkeergarage P1, waarna een vuurwapen met munitie werd aangetroffen. Het hof oordeelde dat deze fouillering geen wettelijke grondslag kende omdat verdachte zich niet bevond in het bedoelde gedeelte van het luchtvaartterrein.
De Hoge Raad bevestigt deze uitleg en onderbouwt dat de wetgever met artikel 52 lid 4 WWM Pro primair de controlebevoegdheid wilde verankeren voor passagiers in het gebied dat specifiek bestemd is voor aankomst en vertrek van reizigers. Dit sluit ruimere interpretaties uit die ook andere, algemeen toegankelijke delen van de luchthaven omvatten. De Luchtvaartwet regelt daarnaast de beveiliging van passagiers in het 'schone gebied', maar laat ruimere bevoegdheden in openbare ruimtes ontbreken.
Het hof heeft terecht geoordeeld dat de fouillering in de parkeergarage niet onder de bevoegdheid van artikel 52 lid 4 WWM Pro valt en dat de gevonden bewijsmiddelen daardoor niet gebruikt kunnen worden. Gezien het ontbreken van andere bezwarende feiten kon verdachte niet worden veroordeeld. Het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie faalt en wordt verworpen.
Deze uitspraak verduidelijkt de reikwijdte van de fouillering op luchthavens en benadrukt het belang van een nauwkeurige territoriale afbakening voor de toepassing van artikel 52 lid 4 WWM Pro.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de fouillering buiten het voor aankomst en vertrek bestemde gedeelte van het luchtvaartterrein geen wettelijke grondslag had en verklaart verdachte vrij.