ECLI:NL:PHR:2004:AR2439
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt niet-ontvankelijkverklaring OM wegens overschrijding redelijke termijn in ontnemingszaak
In deze zaak heeft het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Het hof stelde dat de duur van drie jaar en zeven maanden, waarvan elf maanden inzendtermijn, niet werd gerechtvaardigd door bijzondere omstandigheden en dat het OM geen voortvarende behandeling had bevorderd.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet heeft voldaan aan de zware motiveringseisen die gelden voor een dergelijke niet-ontvankelijkverklaring. Het hof heeft onvoldoende toegelicht waarom de overschrijding van de redelijke termijn zodanig uitzonderlijk was dat het belang van normhandhaving niet langer opweegt tegen het belang van een tijdige berechting. Tevens heeft het hof het tijdsverloop in eerste aanleg niet betrokken in zijn beoordeling.
De Hoge Raad benadrukt dat de redelijke termijn in eerste aanleg doorgaans binnen twee jaar moet worden afgerond en in hoger beroep binnen twee jaar na instellen van het rechtsmiddel. Overschrijding leidt normaliter tot matiging van straf of maatregel, en slechts in uitzonderlijke gevallen tot niet-ontvankelijkheid.
Het arrest wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar het hof voor inhoudelijke behandeling. Tevens wordt ingegaan op het verweer dat het begrip 'redelijke termijn' subjectief is, waarbij de Hoge Raad bevestigt dat dit begrip voortvloeit uit art. 6 EVRM Pro en een verdragsrechtelijke norm betreft die aanvullend is op het Wetboek van Strafvordering.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor inhoudelijke behandeling.