ECLI:NL:PHR:2004:AR2781
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toewijzing huurrecht echtelijke woning bij echtscheiding met belangenafweging
In deze zaak gaat het om de toewijzing van het huurrecht van de echtelijke woning na echtscheiding tussen partijen die in gemeenschap van goederen waren gehuwd. De vrouw had de echtscheiding en toewijzing van het huurrecht aan haar gevraagd, terwijl de man het huurrecht voor zichzelf opeiste. De rechtbank wees het huurrecht toe aan de vrouw, maar het hof vernietigde deze beschikking en wees het huurrecht toe aan de man.
De Hoge Raad beoordeelt het cassatieberoep van de vrouw tegen het oordeel van het hof. Het hof had bij zijn belangenafweging meegewogen dat de meerderjarige dochter van de vrouw, die arbeidsongeschikt is en verzorging behoeft, bij de man woont en niet met de vrouw onder één dak wil wonen. Ook had het hof meegewogen dat de vrouw vanaf juni 2003 over andere woonruimte kan beschikken. De Hoge Raad oordeelt dat het hof binnen zijn discretionaire bevoegdheid heeft gehandeld en dat het belang van de dochter als onderdeel van het belang van de man mag worden meegewogen.
De cassatie wordt verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft. De Hoge Raad benadrukt dat de belangenafweging bij toewijzing van het huurrecht een open en complexe afweging is, waarbij alle omstandigheden van het geval kunnen meewegen, waaronder de woonwensen en zorgbehoefte van kinderen, ook als deze meerderjarig zijn.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat het huurrecht van de echtelijke woning aan de man wordt toegewezen na belangenafweging.