ECLI:NL:PHR:2004:AR2782

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R03/145HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:20b BWArt. 1:27 BWArt. 1:228 lid 1 sub a BWArt. 8 EVRMArt. 11 Nederlands-Belgisch Executieverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en verwijzing inzake erkenning Belgische adoptie meerderjarige in Nederlandse burgerlijke stand

De zaak betreft het verzoek van twee zonen en hun stiefmoeder om een Belgische adoptie-uitspraak van meerderjarigen te laten opnemen als latere vermelding in de Nederlandse geboorteakten. De adoptie was in België voltrokken en door het Hof van Beroep te Antwerpen gehomologeerd.

De rechtbank en het gerechtshof te 's-Gravenhage weigerden de opname van de adoptie-uitspraak in de Nederlandse registers, omdat de adoptie niet voldeed aan het Nederlandse minderjarigheidsvereiste en de Nederlandse wetgeving omtrent adoptie. Daarbij werd ook artikel 8 EVRM Pro betrokken, waarbij werd geoordeeld dat het recht op adoptie niet onder het gezinsleven valt.

In cassatie klaagden verzoekers dat het hof ten onrechte de erkenning van de Belgische uitspraak had gekoppeld aan de juiste toepassing van Nederlands recht, terwijl volgens het Nederlands-Belgisch Executieverdrag alleen een toets aan de Nederlandse openbare orde vereist is. De Hoge Raad oordeelde dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd door een inhoudelijke toets aan Nederlands recht te verrichten.

De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak naar een ander gerechtshof voor een nieuwe beoordeling of de Belgische uitspraak voldoet aan de erkenningsvoorwaarden van het Nederlands-Belgisch Executieverdrag. Daarbij is de conflictenrechtelijke toets uitgesloten en geldt uitsluitend de toets aan de Nederlandse openbare orde.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofbeslissing en verwijst zaak voor nieuwe beoordeling volgens Nederlands-Belgisch Executieverdrag.

Conclusie

Rek.nr. R03/145HR
Mr L. Strikwerda
Parket, 24 sept. 2004
conclusie inzake
1. [verzoekster 1]
2. [verzoeker 2]
3. [verzoeker 2]
tegen
de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand van de gemeente 's-Gravenhage
Edelhoogachtbaar College,
1. Het gaat in deze zaak om de vraag of een in België totstandgekomen rechterlijke uitspraak inzake de adoptie van een meerderjarige als latere vermelding kan worden toegevoegd aan de in de registers van de burgerlijke stand hier te lande voorkomende geboorteakte van die meerderjarige.
2. De feiten liggen als volgt (zie blz. 1 en 2 van de bestreden beschikking).
(i) Thans verzoekers van cassatie sub 2 en 3 (hierna: de zonen) zijn op resp. [geboortedatum] 1941 en op [geboortedatum] 1939 te [geboorteplaats] geboren uit het huwelijk van [de vader] (hierna: de vader) en [de moeder] (hierna: de moeder).
(ii) Op 2 september 1950 is verzoekster van cassatie sub 1 (hierna: de stiefmoeder) gehuwd met de vader.
(iii) De moeder is op 29 november 1978 te Wassenaar overleden. De vader is op 6 februari 1991 te 's-Gravenhage overleden.
(iv) De stiefmoeder heeft bij notariële akte van adoptie, op 1 augustus 1994 verleden voor mr M. de Graeve, notaris te Antwerpen, België, de zonen geadopteerd. Het Hof van Beroep te Antwerpen, België, heeft - na appel tegen het vonnis van 26 september 1995 van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, België - bij arrest van 12 juni 1996 de adoptie, verleden bij voormelde notariële akte, gehomologeerd en gezegd dat de naam van de geadopteerden onveranderd zal blijven.
(v) Bij beschikking van de rechtbank te 's-Gravenhage van 8 februari 1999 is het verzoek van de zonen en de stiefmoeder dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat de door het Hof van Beroep te Antwerpen op 12 juni 1996 gedane uitspraak bevoegdelijk buiten Nederland is gedaan en naar haar aard vatbaar is voor opneming in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand, afgewezen. Deze beschikking is op het hoger beroep van de zonen en de stiefmoeder door het gerechtshof te 's-Gravenhage bij beschikking van 3 september 1999 bekrachtigd.
(vi) Namens de zonen en de stiefmoeder is op 10 januari 2000 aan thans verweerder in cassatie (hierna: de ambtenaar van de burgerlijke stand) verzocht om op de geboorteakten van de zonen aantekening te maken van de Belgische adoptie-uitspraak.
(vii) Bij brief van 4 februari 2000 heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand laten weten zich, in het licht van de beschikking van de rechtbank te 's-Gravenhage van 8 februari 1999 en de bekrachtiging daarvan op 3 september 1999 door het gerechtshof te 's-Gravenhage, niet bevoegd te achten om de verzochte latere vermelding aan de geboorteakten toe te voegen.
3. Naar aanleiding van de weigering van de ambtenaar van de burgerlijke stand hebben de zonen en de stiefmoeder zich bij een op 19 april 2000 ter griffie van de rechtbank te 's-Gravenhage ingekomen verzoekschrift gewend tot deze rechtbank en verzocht om de ambtenaar van de burgerlijke stand te gelasten een aantekening van de Belgische adoptie-uitspraak te maken op de geboorteakten van de zonen. De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft tegen het verzoek schriftelijk verweer gevoerd. De officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage heeft bij schriftelijke conclusie tot afwijzing van het verzoek geconcludeerd.
4. De rechtbank heeft bij beschikking van 26 maart 2001 het verzoek van de zonen en de stiefmoeder afgewezen. Zij overwoog daartoe onder meer als volgt:
"1. Het eerdere verzoek van verzoekers - de verklaring voor recht - is, kort samengevat, afgewezen omdat [de zonen] ten tijde van hun adoptieverzoek te België niet voldeden aan het zogenoemde minderjarigheidsvereiste, hetgeen in strijd met de Nederlandse openbare orde is geoordeeld.
Het in die procedure gedane beroep op artikel 8 EVRM Pro is verworpen op de grond dat dat artikel niet strekt tot bescherming van het recht op adoptie en dat uitsluiting of beperking van de mogelijkheid tot adoptie derhalve niet gezien kan worden als een inmenging in het gezinsleven.
2. Verzoekers leggen thans aan hun verzoek ten grondslag dat jurisprudentie sedert de afwijzing van hun verzoek laat zien dat onder omstandigheden het minderjarigheidsvereiste een inbreuk vormt op artikel 8 lid 1 EVRM Pro en dat in hun geval ook sprake is van zodanige omstandigheden. Voorts stellen zij dat niets eraan in de weg staat dat thans wèl de Belgische adoptie als latere vermelding aan de geboorteakten wordt toegevoegd. Verzoekers wijzen daarbij op de door hun overgelegde beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 16 maart 2000 (gepubliceerd in FJR 2000, 148, A-G), waarbij adoptie van een meerderjarige is toegestaan.
(...).
6. Naar het oordeel van de rechtbank moet nog immer erkenning aan de Belgische adoptie van [de zonen] onthouden worden. Het enkele feit dat het gerechtshof te Amsterdam in een andere zaak op grond van bijzondere omstandigheden adoptie van een meerderjarige heeft toegestaan, is geen reden om de zaak van verzoekers thans anders te beoordelen. De omstandigheden in beide zaken zijn geenszins dezelfde. Het belangrijkste verschil is dat in de onderhavige zaak de mening van de ouders niet meer gevraagd kan worden, terwijl in de Amsterdamse zaak de vader van de meerderjarige instemde met de adoptie. De rechtbank is van mening dat de motivering als vermeld in de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 3 september 1999 nog onverkort van kracht is, zodat het verzoek op dezelfde gronden als daarin aangegeven moet worden afgewezen."
5. De zonen en de stiefmoeder zijn van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Nadat de zaak ter terechtzitting van het hof mondeling was behandeld, op welke zitting de ambtenaar van de burgerlijke stand het standpunt van de zonen en de stiefmoeder heeft bestreden en het openbaar ministerie heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden beschikking, heeft het hof bij beschikking van 17 september 2003 de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe overwoog het hof onder meer als volgt:
"11. Naar het oordeel van het hof kan aan artikel 8 EVRM Pro wel het recht op bescherming van het gezinsleven, bestaand tussen ouders en een door hen geadopteerd kind worden ontleend, doch niet het recht om een kind te adopteren zonder dat wordt voldaan aan de door de wet voor adoptie gestelde eisen. Dat adoptie niet mogelijk is omdat niet is voldaan aan de voorwaarde van art. 1:228 lid 1 sub a BW Pro kan voorts niet worden aangemerkt als een inmenging als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro (vergelijk Hoge Raad 30 juni 2000, NJ 2001/103). De door verzoekers aangehaalde uitspraak van het hof te Amsterdam moet gezien worden als een uitzondering op deze regel, in een uitzonderlijk geval, dat blijkens de uitspraak op belangrijke punten verschilt van de onderhavige zaak.
12. Nu geconstateerd is dat het recht om te adopteren geen door artikel 8 lid 1 EVRM Pro gegarandeerd recht is, komt het hof niet toe aan toetsing van de door de staat aangelegde beperkingen aan het recht te adopteren, op de voet van artikel 8 lid 2 EVRM Pro. Het hof heeft niet de vrijheid af te wijken van de duidelijke keuze die de wetgever in artikel 1:228 lid 1 sub a BW Pro heeft gemaakt."
6. De zonen en de stiefmoeder zijn tegen de beschikking van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit drie onderdelen opgebouwd middel. De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.
7. Centraal in onderdeel 1 van het middel (cassatierekest onder 1.1 t/m 1.4) staat de klacht dat het hof bij de beoordeling van het verzoek van de zonen en de stiefmoeder een verkeerd criterium heeft aangelegd door het verzoek te toetsen aan art. 8 EVRM Pro en aan de vereisten die in Nederland worden gesteld aan adoptie. Het hof had, zo betoogt het onderdeel, het verzoek, dat ertoe strekte de ambtenaar van de burgerlijke stand te bevelen een aantekening van de Belgische adoptie-uitspraak te maken op de geboorteakten van de zonen, moeten toetsen aan de Nederlandse openbare orde.
8. Bij de beoordeling van onderdeel 1 dient het volgende vooropgesteld te worden.
9. Art. 1:20b lid 1 BW voorziet in het plaatsen van een "latere vermelding" van buitenlandse rechterlijke uitspraken (of akten) op een reeds in de registers van de burgerlijke stand hier te lande voorkomende geboorteakte, "tenzij de Nederlandse openbare orde zich hiertegen verzet". Weigert de ambtenaar van de burgerlijke stand een latere vermelding van een buitenlandse uitspraak aan de akte toe te voegen, dan hebben belanghebbende partijen de mogelijkheid om via de procedure van art. 1:27 BW Pro het oordeel van de rechter te vragen, die alsnog de toevoeging van de latere vermelding kan bevelen.
10. De woorden "tenzij de Nederlandse openbare orde zich daartegen verzet" in art. 1:20b lid 1 BW beogen tot uitdrukking te brengen dat de latere vermelding van de buitenlandse uitspraak niet plaatsvindt, indien deze "niet overeenstemt met de regels van Nederlands internationaal privaatrecht" (Kamerstukken II 1990/91, 21 847, nr. 3, blz. 25), waarmee wordt bedoeld dat een buitenlandse uitspraak niet als latere vermelding kan worden toegevoegd, indien de buitenlandse uitspraak naar de in Nederland geldende regels van internationaal privaatrecht niet voor erkenning hier te lande in aanmerking komt.
11. De vraag of de onderhavige uitspraak van het Hof van Beroep te Antwerpen van 12 juni 1996 voor erkenning hier te lande in aanmerking komt, dient beantwoord te worden met toepassing van het Nederlands-Belgisch Executieverdrag (voluit: Verdrag tusschen Nederland en België betreffende de territoriale rechterlijke bevoegdheid, betreffende het faillissement en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, van scheidsrechterlijke uitspraken en van authentieke akten, Brussel, 28 maart 1925, Stb. 1929, 405). Dit verdrag is op de erkenningsvraag zowel materieel als formeel van toepassing. Materieel, omdat het verdrag mede betrekking heeft op de erkenning van rechterlijke beslissingen in personen- en familierechtelijke aangelegenheden (zie J.H.P. Bellefroid, Toelichting van het Nederlandsch-Belgisch Verdrag van 28 maart 1925, 1931, blz. 84; J.P. Verheul, Erkenning en tenuitvoerlegging van vreemde vonnissen, 1989, blz. 103), en formeel, omdat het verdrag betrekking heeft op de erkenning van rechterlijke beslissingen totstandgekomen in een der beide verdragstaten (art. 11), ongeacht of de partijen dan wel de belanghebbenden onderdaan zijn van België of Nederland en of de bevoegdheidsvraag in de procedure in het land van herkomst bestreken wordt door het verdrag, en ook ongeacht of de rechterlijke beslissing een zaak van eigenlijke of oneigenlijke rechtspraak betreft (zie Bellefroid, a.w., blz. 85; Verheul, a.w., blz. 103/104; B.J.R.P. Verhoeven, Het Nederlands-Belgisch exekutieverdrag (28-3-1925), 1974, blz. 63). Niet van toepassing is de erkenningsregeling van het EEX-Verdrag (Verdrag van 27 september 1968, Trb. 1969, 101; zie art. 1 en Pro 56 jo. 55), van de EEX-Verordening (Verordening (EG) nr. 44/2001, PbEG 2001 L 12; zie art. 1 en Pro 66), van de Brussel II-Verordening (Verordening (EG) nr. 1347/2000, PbEG 2000 L 160; zie art. 1 en Pro 42), of van het Haags Adoptieverdrag 1993 (Verdrag van 29 mei 1993, Trb. 1993, 197; zie art. 3 en Pro 41). Een samenloop van internationale regelingen doet zich in het onderhavige geval derhalve niet voor.
12. De voorwaarden voor erkenning worden in art. 11 lid 1 van Pro het Nederlands-Belgisch Executieverdrag (limitatief; zie art. 12 lid Pro 3; vgl. Bellefroid, a.w., blz. 90; Verhoeven, a.w., blz. 68) opgesomd. Die voorwaarden zijn, kort gezegd:
- onder 1: dat de beslissing niets inhoudt dat strijdig is met de openbare orde of met de beginselen van het publiekrecht van het land, waar zij wordt ingeroepen;
- onder 2: dat de beslissing uitvoerbaar is in het land waar zij is gegeven;
- onder 3: dat van de beslissing een naar het recht van het land waar zij is gegeven, authentiek afschrift wordt overgelegd;
- onder 4: dat de partijen wettig vertegenwoordigd zijn geweest c.q. wettig zijn opgeroepen; en
- onder 5: dat de bevoegdheidsregels van het verdrag niet zijn geschonden.
De eerstbedoelde voorwaarde betreft de in het internationaal privaatrecht gebruikelijke openbare orde-toets en houdt (dus) niet in dat erkenning kan worden geweigerd omdat het toepasselijke Nederlandse recht niet op juiste wijze is toegepast. Art. 12 lid 3 sluit Pro "révision au fond" en ook de controle op het toegepaste recht uit. Vgl. HR 24 juli 1939, NJ 1940, 218 nt. EMM. Zie voorts Bellefroid, a.w., blz. 92; Verhoeven, a.w., blz. 63/64; Verheul, a.w., blz. 107.
13. Ik keer terug naar het middelonderdeel. Voor zover het erover klaagt dat het hof bij de beoordeling van het verzoek van de zonen en de stiefmoeder een verkeerd criterium heeft aangelegd door het verzoek te toetsen aan de vereisten die in Nederland worden gesteld aan adoptie, is het onderdeel terecht voorgesteld. In aanmerking genomen dat de woorden "tenzij de Nederlandse openbare orde zich daartegen verzet" in art. 1:20b lid 1 BW aldus dienen te worden begrepen dat een buitenlandse uitspraak, mits aan de overige door art. 1:20b lid 1 BW gestelde voorwaarden is voldaan, als latere vermelding kan worden toegevoegd indien de buitenlandse uitspraak naar de in Nederland geldende regels van internationaal privaatrecht voor erkenning hier te lande in aanmerking komt, en voorts in aanmerking genomen dat in het onderhavige geval de vraag of de uitspraak van het Hof van Beroep te Antwerpen voor erkenning hier te lande in aanmerking komt, beantwoord dient te worden met toepassing van het Nederlands-Belgisch Executieverdrag, geeft het oordeel van het hof dat de verlangde latere vermelding niet aan de geboortenakten van de zonen kan worden toegevoegd op de grond dat niet is voldaan aan de voorwaarde van art. 1:228 lid 1 sub a BW Pro, blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Aldus oordelende heeft het hof de erkenning van de Belgische uitspraak immers afhankelijk gesteld van het antwoord op de vraag of de Belgische rechter het volgens Nederlands conflictenrecht op de adoptie toepasselijke (Nederlandse) recht op de juiste wijze heeft toegepast, terwijl het Nederlands-Belgisch Executieverdrag "révision au fond" en ook controle op het toegepaste recht (conflictenrechtelijke toetsing) niet toelaat.
14. Voor zover het onderdeel erover klaagt dat het hof bij de beoordeling van het verzoek een verkeerd criterium heeft aangelegd door het verzoek te toetsen aan art. 8 EVRM Pro, faalt het evenwel. Nog daargelaten dat blijkens de gedingstukken de zonen en de stiefmoeder ter ondersteuning van hun verzoek uitdrukkelijk een beroep hebben gedaan op art. 8 EVRM Pro, zodat het Hof niet valt te verwijten art. 8 EVRM Pro in zijn oordeelsvorming te hebben betrokken, heeft het voorschrift van art. 8 EVRM Pro betrekking op beginselen die in de Nederlandse rechtsorde voor fundamenteel worden gehouden, zodat bij de beoordeling van de vraag of erkenning van de uitspraak van het Hof van Beroep te Antwerpen afstuit op de Nederlandse openbare orde, toetsing van de inhoud van die uitspraak aan art. 8 EVRM Pro niet in strijd is met art. 1:20b lid 1 BW in verbinding met art. 11 van Pro het Nederlands-Belgisch Executieverdrag.
15. Onderdeel 1 is derhalve gegrond voor zover het erover klaagt dat het hof bij de beoordeling van de vraag of de Belgische uitspraak hier te lande kan worden erkend ten onrechte als criterium heeft aangelegd of de Belgische rechter Nederlands recht op de juiste wijze heeft toegepast. Voor "révision au fond", met in begrip van een conflictenrechtelijke toets, is bij de beoordeling van die vraag, gelet op art. 1:20b lid 1 BW in verbinding met art. 11 van Pro het Nederlands-Belgisch Executieverdrag, geen plaats. Daarbij teken ik aan dat (ook) in het commune Nederlandse internationaal privaatrecht de conflictenrechtelijke toets als voorwaarde voor erkenning van buitenlandse adoptiebeslissingen inmiddels is verlaten. Zie art. 6 lid 4 van Pro de Wet conflictenrecht adoptie (Wet van 3 juli 2003, Stb. 2003, 283). In de MvT wordt ten aanzien van deze bepaling onder meer opgemerkt (Kamerstukken II 2001/02, 28 457, nr, 3, blz. 16):
"Ook ten aanzien van andere familierechtelijke beslissingen is de conflictenrechtelijke toetsing inmiddels verlaten. De toetsing aan de openbare orde 'sec' moet voldoende zijn om uitwassen af te snijden. Dat de buitenlandse rechter krachtens het voor hem geldende internationaal privaatrecht een ander recht heeft toegepast dan de Nederlandse rechter zou hebben gedaan, kan op zichzelf geen aanleiding geven tot het inroepen van de exceptie van de openbare orde, die gereserveerd behoort te worden voor bijzondere situaties waarin de Nederlandse rechtsorde een bepaald resultaat van buitenlandse rechtstoepassing niet kan aanvaarden."
Zie in dit verband ook HR 27 juni 2003, RvdW 2003, 117.
16. Onderdeel 2 van het middel (cassatierekest onder 2.1 t/m 2.5) neemt stelling tegen het oordeel van het hof dat aan artikel 8 EVRM Pro niet een recht van adoptie kan worden afgeleid (r.o. 11).
17. Het onderdeel faalt wegens gebrek aan belang. Bij de beoordeling van de vraag of de uitspraak van het Hof van Beroep te Antwerpen hier te lande kan worden erkend en daarom op de voet van art. 1:20b lid 1 BW als latere vermelding kan worden toegevoegd aan de geboorteakten van de zonen, is niet van belang of aan art. 8 EVRM Pro een recht van adoptie (van een meerderjarige) kan worden ontleend, doch slechts of - in verband met toetsing aan de openbare orde - art. 8 EVRM Pro aan adoptie van een meerderjarige in de weg staat. Dit laatste is - zo merk ik ten overvloede op - niet het geval. Art. 8 EVRM Pro garandeert het recht op bescherming van het gezinsleven bestaand tussen ouders en een door hen geadopteerd kind, doch heeft niet betrekking op de door de wet voor adoptie gestelde eisen (vgl. HR 30 juni 2000, NJ 2001, 103 nt. JdB en EHRM 26 februari 2002, NJ 2002, 553 nt. SW).
18. Onderdeel 3 van het middel (cassatierekest onder 3.1 t/m 3.5) klaagt over de betekenis die het hof heeft toegekend aan de door de zonen en de stiefmoeder ingeroepen beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 maart 2000 inzake de adoptie van een meerderjarige.
19. Ook dit onderdeel faalt wegens gebrek aan belang. De bedoelde beschikking heeft betrekking op de vraag of naar Nederlands recht onder omstandigheden adoptie van een meerderjarige mogelijk is. Die vraag is voor de beoordeling van de vraag of de Belgische uitspraak hier te lande voor erkenning in aanmerking komt, niet van belang, nu erkenning niet kan worden geweigerd op de grond dat de Belgische rechter het Nederlandse recht niet op de juiste wijze zou hebben toegepast.
20. Waar onderdeel 1 van het middel (gedeeltelijk) doel treft, kan de bestreden beschikking van het hof niet in stand blijven. Na vernietiging en verwijzing zal alsnog onderzocht moeten worden of de uitspraak van het Hof van Beroep te Antwerpen niet alleen voldoet aan de erkenningsvoorwaarde van art. 11 lid 1 sub Pro 1 van het Nederlands-Belgisch Executieverdrag, maar ook aan de andere in dat artikellid genoemde erkenningsvoorwaarden.
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,