ECLI:NL:PHR:2004:AR3001

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01447/03 P
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SvArt. 437 SvArt. 438 SvArt. 511h Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring wegens niet tijdig indienen cassatieschrift

Verzoeker werd door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld tot betaling van een geldbedrag, met subsidiair een hechtenisstraf. Tegen dit vonnis werd cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. Volgens de wettelijke voorschriften diende het cassatieschrift binnen twee maanden na aanzegging te worden ingediend door de raadsman van verzoeker. Deze termijn is niet nageleefd, doordat door een misverstand geen schriftuur werd ingediend.

Hoewel de raadsman ter zitting een mondelinge toelichting gaf en een schriftelijke toelichting overhandigde, kan dit niet worden aangemerkt als een tijdig ingediend cassatieschrift. De Hoge Raad oordeelt dat de mogelijkheid om cassatiemiddelen schriftelijk toe te lichten niet bedoeld is om nieuwe klachten in te dienen na het verstrijken van de termijn.

Daarom wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep, omdat niet is voldaan aan de vereiste indieningstermijn van het cassatieschrift zoals voorgeschreven in art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van het cassatieschrift.

Conclusie

Nr. 01447/03 P
Mr. Machielse
Zitting 21 september 2004
Conclusie inzake:
[verzoeker=betrokkene]
1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 3 februari 2003 verzoeker de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 23.104,94, subsidiair 180 dagen hechtenis.
2. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 8 juli 2003 in persoon betekend aan verzoeker. Art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv bepaalt dat verzoeker, op straffe van niet-ontvankelijkheid, uiterlijk twee maanden daarna door zijn raadsman een schriftuur had moeten doen indienen. Dit is niet gebeurd.
Op 16 juni 2004 kwam ter griffie van de Hoge Raad een schrijven van de raadsman binnen inhoudende onder meer dat ten gevolge van een misverstand zijnerzijds geen schriftuur in cassatie is ingediend, alsmede dat hij ter zitting van de Hoge Raad op 22 juni 2004 het cassatieberoep mondeling wilde toelichten. Ter zitting van de Hoge Raad heeft de raadsman vervolgens zijn toelichting schriftelijk overgelegd.
3. Nu verzoeker echter niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv, zodat verzoeker in het beroep niet kan worden ontvangen.
4. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn beroep in cassatie.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden