ECLI:NL:PHR:2004:AR3021
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontnemingsvordering en toepassing hoofdelijke aansprakelijkheid bij wederrechtelijk verkregen voordeel
In deze zaak stond centraal de vraag of een requisitoir van de Advocaat-Generaal tot afwijzing van de ontnemingsvordering het hof belemmert om toch een ontnemingsmaatregel op te leggen. De Hoge Raad bevestigt dat dit niet het geval is en dat het hof zelfstandig een schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet maken en kan beslissen over de oplegging van een ontnemingsmaatregel, ook tegen de wens van de A-G in.
Het hof had bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel rekening gehouden met een pondspondsgewijze verdeling tussen de betrokkene en zijn twee mededaders, waarbij slechts een derde van de aan de benadeelde partij toegewezen vordering in mindering werd gebracht. De Hoge Raad oordeelt dat dit oordeel niet onbegrijpelijk is en in lijn met artikel 36e, zesde lid, Sr.
Verder benadrukt de Hoge Raad dat de ontnemingsprocedure een sequeel is van de strafprocedure en geen zelfstandige procedure, waarbij de vordering tot ontneming slechts de aanleiding vormt voor de rechterlijke beslissing. De wet staat niet toe dat de ontnemingsvordering na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting wordt ingetrokken, waardoor de A-G in hoger beroep tot afwijzing moet concluderen indien hij de vordering niet wil doorzetten.
Tot slot wijst de Hoge Raad op de mogelijkheid voor de betrokkene om op grond van artikel 577b Sv een verzoek tot vermindering of kwijtschelding van het opgelegde bedrag in te dienen indien blijkt dat medeverdachten geen verhaal bieden. De bestreden uitspraak wordt vernietigd voor zover vervangende hechtenis is opgelegd, maar het beroep wordt verder verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het hof een ontnemingsmaatregel kan opleggen ondanks een requisitoir tot afwijzing en vernietigt het arrest alleen voor zover vervangende hechtenis is opgelegd.